Bij het wijnwonder in Kana speelt Maria een opvallende rol. Zij komt tussen bij haar Zoon en krijgt een hoogst eigenaardig antwoord. Het loont de moeite daar wat dieper op in te gaan, want er valt wat uit de leren voor ons omgaan met de Heer, met name voor onze manier van bidden.
Mensen die in grote nood zijn, smeken God om hulp en durven Hem zelfs om een wonder te vragen. Is dat wel gepast? Waarschijnlijk wel, want in het evangelie blijkt toch immers dat Jezus wonderen kan doen. Waarom zouden we het Hem dan niet mogen vragen? Dat doet Maria nu net niet. Ze spreekt haar Zoon wel aan, maar ze zegt niet: ‘Doe hier eens een wonder en zorg dat er weer wijn op tafel komt.’ Ze legt Hem gewoon de nood van de mensen voor: ‘De wijn is op.’ Op een bruiloft is dat echt wel een noodsituatie… Maria beveelt niet, ze constateert. Ze zet Jezus niet naar haar hand, ze legt Hem de concrete nood voor.
Ze krijgt een zeer onverwacht, zelfs ronduit raadselachtig antwoord: ‘Vrouw, wat heb Ik met jou te maken? Mijn uur is nog niet gekomen.’ Niemand weet goed wat dit te betekenen heeft. Het is in ieder geval een feit dat Maria zelf bevraagd wordt over datgene war haar bezielt. Sommige vertalingen laten dat goed uitkomen: ‘Vrouw, war is er tussen u en Mij?’ Dat is een wezenlijk moment in onze omgang met de Heer. Nooit wordt ons gebed op staande voet verhoord. Eerst confronteert de Heer ons met onszelf. ‘Wat zoek je eigenlijk bij Mij? Wat bezielt je?’ Die loutering en uitzuivering wordt niemand bespaard, zelfs Maria niet. Ze kan langdurig, hard en pijnlijk zijn.
Wie bidt, moet geduld leren oefenen en eigen verwachtingen opzij kunnen zetten uit respect voor de Heer. Daarom hebben we zo dikwijls de indruk dat bidden niets uithaalt en niet helpt. Het eerste effect van het echte gebed is namelijk dat het ons ertoe dwingt rekening te houden met Gods wil en zijn manier van werken. Die zijn, zoals uit her verdere verloop van het verhaal blijkt, soms heel anders dan wij verwachten. Ook Maria heeft dat gaandeweg moeten leren. Intussen is er bij haar wel iets merkwaardigs aan het gebeuren. Ze zegt tot de dienaren: ‘Wat Hij u ook beveelt, doe het maar.’ Her echte bidden maakt een mens meer beschikbaar voor wat God vraagt. In plaats van zich nukkig af te keren omdat hij zijn zin niet krijgt, gaat de biddende mens beseffen dat hij zelf bereid moet zijn om mee te werken met wat God vraagt.
Jezus vraagt dan iets heel bizars: ‘Vul zes kruiken met water.’ Het lijkt helemaal geen oplossing voor het wijntekort. Maar Hij vraagt aan mensen iets wat zij kunnen doen. Anders kan Hij zijn werk niet doen. Wat daarna gebeurt, ligt uitsluitend in zijn macht.
Ten slotte wordt het wonder niet uitgelegd. Dat hoeft ook niet. Zo is dat bij elke gebedsverhoring: we weten niet hoe ze in haar werk gaat. We weten alleen waar ze vandaan komt. Zoals die dienaren in Kana. En dat volstaat.