Erfeniskwesties zijn van alle tijden. Niet zelden geeft de verdeling van de nalatenschap aanleiding tot betwistingen en familieruzies. Desnoods brengt men de zaak voor de rechtbank. In Jezus’ tijd trok men naar een gezagvolle rabbi. Geen wonder dus dat Jezus te horen krijgt: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.’ Daarmee krijgt Jezus een kans toegespeeld om een ruzie te beslechten. In plaats daarvan wijst hij de man kordaat af: ‘Wie heeft mij tot scheidsrechter tussen u beiden aangesteld?’ Goed, dat kan een vraag wezen.
Onmiddellijk volgt een felle uitval tegen ‘iedere vorm van hebzucht’. Dat lijkt hier niet ter zake. Wie verlangt dat een erfenis rechtvaardig verdeeld wordt, is daarom nog niet hebzuchtig. Maar Jezus is niet te stuiten. Natuurlijk wil ook Hij rechtvaardigheid in zaken. Toch is dat niet zijn laatste woord over het bezit van de mensen. Ten bewijze: de gelijkenis van de hebzuchtige boer.
Nergens wordt gezegd dat die boer andere mensen bedrogen of uitgebuit heeft. Hij heeft een ‘boerenjaar’ gehad, zou de volksmond zeggen. Het zat buitengewoon mee: zijn land heeft ontzettend veel opgebracht. Nu zou je verwachten dat die boer aangespoord wordt om zijn bezit te delen met mensen die niet zoveel geluk gehad hebben. Maar dat staat er niet! De pointe van de gelijkenis is geen zedenlesje en zelfs geen toepassing van het gebod van de naastenlief de. Het gaat niet over het juiste gebruik van dat bezit, maar over de valse betekenis die aan dat bezit wordt toegekend.
De boer acht zijn toekomst veilig: honger, dorst en nood allerhande kunnen hem niet meer treffen. Hij voelt zich veilig omdat zijn bezit groot is, zo groot dat het hem ‘beveiligt’. Precies daarom is het zo gevaarlijk. Het neemt de dreiging van nood en tekort weg en lijkt dus het leven onkwetsbaar te maken. De veelheid van het hebben wekt de illusie van heelheid van het zijn. Wie veel bezit, lijkt geen gevaar meer te lopen en alles aan te kunnen.
Nu lijkt het erop dat God die hebzuchtige boer lelijk beetneemt. Hij komt meteen het leven van de man opeisen. Toch is dit helemaal niet bedoeld als straf. Het wil gewoon zeggen dat het leven zelf altijd onzeker is en plotseling kan eindigen. Het vraagje dat erop volgt is echter minder onschuldig: ‘Voor wie zijn al die voorraden die je hebt aangelegd?’ Alweer is het antwoord anders dan we zouden verwachten. Er volgt ook hier geen aansporing om te delen met anderen. Impliciet steekt dat er natuurlijk wel in. De keuze is evenwel: schatten verzamelen voor zichzelf of voor God. Rechtvaardigheid en liefdadigheid zijn geen louter wereldse aangelegenheden. In dat alles is God zelf betrokken. Waaruit nog maar eens blijkt hoe concreet het evangelie Gods nabijheid wel ziet. In al ons hebben en doen is Hij altijd betrokken partij.