Het evangelie opent vandaag met een erfeniskwestie. We weten allemaal hoe gauw erfenissen in plaats van geluk alleen maar onenigheid brengen. Deze problemen of ruzies doen zich niet alleen voor hij de nalatenschap van ouders, familie of verwanten. Met dezelfde regelmaat zie je dit verschijnsel ook in groter verband. In de privileges van een kerk of de cultuur bijvoorbeeld; of wanneer men in een bepaald deel van de wereld meent verworven rechten te hebben. Het is bijzonder leerzaam als we in dit verband eens kijken hoe wij omgaan met de grote erfenis van onze westerse beschaving. Dat is een geweldige rijkdom aan kennis, techniek en materiële vrijheid. Vergeleken met andere delen van de wereld is het een enorme oogst aan menselijke mogelijkheden. Maar telkens zijn wij, de zogenaamde erfgenamen het onderling zéér oneens.
Hoe moet deze rijkdom verdeeld worden? Hoe moet het recht van iedereen om te wonen, te werken of zich te ontwikkelen eruit zien? En dan praten we nog niet over die ánderen - waarvan wij vinden dat ze maar heel zijdelings tot de familie behoren: Oost-Europeanen, Afrikanen, Aziaten - die menen een graantje van dat grote erfgoed te mogen meepikken. ‘Meester, zeg dat mijn broer de erfenis met mij deelt’. Het zal niet de laatste keer zijn dat Jezus, God of Bijbel erbij wordt gehaald om te bewijzen dat men recht heeft op een aandeel in de nalatenschap. Hoe dikwijls zie je tegenwoordig niet dat er om het minste of geringste een kort geding wordt aangespannen. Mensen komen er niet uit en willen dan een Salomonsoordeel. Het geluk van anderen komt daarbij totaal niet aan de orde. Maar het antwoord van Jezus is des te duidelijker: ‘Man, wie heeft mij over jullie beiden tot rechter aangesteld?’. Dat komt hard over, maar denk niet dat Jezus met deze uitspraak een punt achter de vraag zet. Want er volgt een verhaal dat precies doorgaat waar onze problemen liggen. Meteen wordt ook duidelijk dat de wijsheid van Jezus een stap verder gaat dan die van Salomo. Hij hakt geen knopen door waar mensen met elkaar in de clinch liggen. Hij vertelt een verhaal en laat ons vervolgens zelf nadenken. Hij vertelt een parabel over mensen zoals wij met rijkdom en nalatenschap. Het is uiterst toepasselijk, juist voor onze samenleving.
Laten we die toepassing eens in Jezus’ eigen mond leggen. Het is alsof hij zegt: Jullie mensen in West-Europa is in de loop van de eeuwen een enorme oogst in de schoot geworpen: inzichten, fantastische uitvindingen, welstand, mobiliteit, het is jullie op een presenteerblaadje aangereikt. En als jullie nu maar gewoon dankbaar konden genieten van al die verworvenheden en anderen erin laten delen, dan zou dat alles in jullie handen prima tot zijn recht komen. Maar zo gaat het hij jullie niet. Jullie maken er een soort erfeniskwestie van; jullie gaan zitten overleggen: wat moeten we doen? Hoe zorgen we dat ons die rijkdom niet ontglipt; dat we de markt blijven beheersen? Wie mag het spelletje meespelen en wie niet? Hoe zorgen we dat we onze concurrentiepositie behouden. Hebben we genoeg reserves? En wat is het gevolg? In plaats van genieten, brengt die hele nalatenschap jullie alleen maar kopzorg, kopzorg over groter rendement, betere beveiliging, meer efficiëntie. En de ‘anderen’? Die worden in dit spel alleen maar als indringers beschouwd die hier geen rechten hebben, of als marginale figuranten die nu eenmaal pech hebben en het spel niet mee kunnen spelen. Op den duur gaat het erop lijken alsof jullie zo ongeveer zélf de bron zijn van al die overvloed.
Wat wordt die gelijkenis van Jezus van Nazaret ineens bijna pijnlijk concreet. Want heeft het er inderdaad niet veel van weg dat wij hier in Europa en aanverwante gebieden steeds weer bezig zijn met het afbreken en weer opbouwen van grotere schuren? Met het slopen en weer aanleggen van grotere wegen? Met het bijstellen van snelheden, van behoeften, van voorzieningen voor later, waarvan wij of onze kinderen nooit de tijd zullen vinden om ervan te genieten? Terwijl we datgene wat er ís, daarvoor moeten verwoesten?
Dwaas, zegt Jezus, dat je niet beseft dat geluk, liefde, vreugde, door welke vorm van bezit ook, nooit te kapitaliseren zijn. Dat je die nooit zult kunnen plannen; dat dat zaken zijn die in diepste zin onze vermogens te boven gaan; dat je deze dingen nóóit als een recht kunt beschouwen. Maar jullie zitten daarmee in de vicieuze cirkel van zorg op zorg. Pas als je dat beseft, kun je eruit komen. Pas dan ben je in staat het feest van het leven te genieten, door het te delen met alle levenden om je heen.
De schrijver van het boek Prediker - waaruit we lazen - wist dat. Hij had de vicieuze cirkel gezien. Hij legde de onmacht van mensen over hun geluk of rampspoed in zijn notities neer. Wij leven duizenden jaren later. Maar laten we geen stap achteruit zetten. Wie geluk als een recht gaat beschouwen doet dat. Wie leeft en werkt met open handen, zet een enorme stap vooruit in Gods onvoorstelbare ruimte en rijkdom.