Aardse waarden of geestelijke waarden? (2004)

C-cyclus · Tijd door het jaar · 18e zondag · groen

Enkele maanden geleden pleegde een jongeman van 18 zelfmoord, een jonge man uit een meer dan welgestelde familie. In een brief, voor zijn ouders nagelaten, stond te lezen dat hij er einde aan maakte
omdat hij niet langer meer leven kon in de ijzige, wurgende eenzaamheid waarin hij zich opgesloten voelde. Hij schreef: “Jullie hebben me altijd alles gegeven wat ik maar hebben wilde. Daar wil ik jullie nog eens voor bedanken. Maar één ding – en dat had ik zo vreselijk gaarne gewild – hebben jullie me nooit kunnen geven: het gevoel dat jullie echt van me hielden. Er is trouwens niemand die van me houdt.”
Deze wanhopige schreeuw naar genegenheid en geborgenheid verbijsterde de totaal ontredderde ouders van de jongen. “We begrijpen er niets van”
zegden ze; nooit heeft hij iets tekort gehad.” Ze hadden hem altijd alles gegeven waar een jonge man maar van dromen kon. Bij zijn 18de verjaardag hadden ze hem een dure sportwagen gekocht. Altijd hadden ze hem de grootste vrijheid gegeven en zakgeld in overvloed. “Wat hadden ze hem nog meer kunnen geven ?” vroegen zij zich af. Hij had maar hoeven te spreken en ze zouden het hem hebben gegeven. Nog steeds verstonden zijn ouders niet wat hun jongen in vertwijfeling geschreven had over zijn nood aan iets meer dan geld en kostbare dingen. Er zijn inderdaad waarden, die uiteindelijk veel meer betekenen dan de grootste rijkdom. En de grootste rijkdom laat een mens nog zo vaak onvoldaan achter. In zijn merkwaardig boekje “De Kleine Prins” schreef Antoine de Saint-Exupéry: “Grote mensen houden van cijfers. Wanneer je hun vertelt van een nieuwe vriend, vragen ze nooit het belangrijkste. Ze zeggen nooit: “Hoe klinkt zijn stem ? Van welke spelletjes houdt hij het meest ? Verzamelt hij vlinders ?” Maar ze vragen: “Hoe oud is hij ? Hoeveel weegt hij ? Hoeveel broertjes heeft hij ? En hoeveel verdient zijn vader ?”
Dan pas vinden ze dat ze hem kennen. Als je tegen de grote mensen zegt: “Ik heb een prachtig huis gezien van roze baksteen, met geraniums voor de ramen en duiven op het dak…”, dan kunnen ze zich dat huis niet voorstellen. Je moet zeggen: “Ik heb een huis van
2 miljoen frank gezien”. Dan roepen ze: “Wat mooi !”

Vrienden, wat die wanhopige jongeman als een vreselijke werkelijkheid had ervaren, dat bezit en rijkdom niet de laatste en hoogste waarden zijn, dat hebben we zojuist in het evangelie ook gehoord. Dat hoorden we ook in de eerste lezing uit Prediker.
Daarop worden we voortdurend gewezen in de Bijbel.
En toch leven mensen alsof het vaak alleen daar om te doen is: zoveel mogelijk te kunnen bezitten. Je moet maar eens luisteren wat mensen zoal samen bespreken. Altijd weer gaat het over verdienen. Over kopen. Over hebben. Altijd weer gaat het over geld en wat daar voor te krijgen is. Iedereen wil meer verdienen. Iedereen tracht overuren te doen of ergens een bij-job te vinden. Man en vrouw gaan samen werken. “Je moet wel als je vooruit wil komen” zeggen ze dan. Er wordt gewroet en geslaafd, gestolen en bedrogen, in het groot en in het klein.
Om meer te hebben. Meer dan de buren, meer dan de collega’s. Een groter huis, een sjiekere wagen, een lagere en duurdere vakantie. Verder dan de kennissen. Mensen worden slaven van hun hebzucht. Ja, die hebzucht…ze staat gelijk met afgoderij, hoorden we Paulus zeggen in de tweede lezing.
“Is bezit dan altijd slecht ?” zul je misschien vragen. Zeker niet. Maar we moeten wel duidelijk bewust proberen te blijven dat er andere dingen zijn die veel belangrijker zijn; waarden die we veel hoger moeten aanslaan, waarden die een mens rijker en gelukkiger kunnen maken dan geld en goed. Dat ervaren we soms zelf wel. Dat had die jongeman van daarstraks
zo wanhopig diep moeten ervaren. “Een mens leeft niet van brood alleen” zegt het evangelie. En dan is er nog iets dat het evangelie ons duidelijk leert dienaangaande. “Pas op, hoorden we Jezus daarjuist zeggen, en wacht u voor alle hebzucht”. Bezit wordt iets slechts als het ons gaat beheersen. Als datgene wat ons gegeven wordt om te gebruiken, ons gaat gebruiken en verbruiken. Als we slaaf worden van iets dat ons juist zou moeten dienen. Wat al miserie is er al gegroeid uit hebzucht, die afgoderij waarbij zovele mensenoffers gevallen zijn. De Bijbel waarschuwt daar voortdurend tegen. En ze leert ons ook de juiste houding tegenover bezit, de houding die past voor mensen die niet langer in het spoor van de oude mens willen lopen, maar de Nieuwe Mens, Christus willen volgen. Een groot man, die zijn hele leven lang ook als christen heeft proberen te leven, vatte het eens zo samen: “Ik heb altijd trachten te leven vanuit wat het evangelie ons leert: dat wij, als wij voor God verschijnen, in handen zullen hebben wat wij ooit in liefde uit handen hebben gegeven”. Daar komt het inderdaad op aan. Wat wij bezitten is ons gegeven opdat wij het met anderen in liefde zouden delen. Ons bezit is ons toevertrouwd opdat wij het zouden gebruiken als een middel om anderen te verrijken.
Wat wij voor onszelf houden, angstvallig grijpen en vasthouden, zullen we moeten achterlaten. Wat we goed gebruikt hebben, aan anderen hebben geschonken, dat is veilig en blijvend geborgen “ver van mot en roest en van dieven”; dat staat op onze hemelse rekening, dat maakt ons rijk bij God.
Laat ons zo, als nieuwe mensen leven; gericht op het hemelse, niet op het aardse.

Zoeken in Preken Online