RUZIE OM EEN ERFENIS
Ruzie om een erfenis.
Wie kent dat niet?
Twee broers die in onmin zijn gevallen bij een verdeling.
En ene is met het grootste deel weg.
De andere voelt zich tekort gedaan.
Hij is gekrenkt. Nijdig..
Hij probeert het uiterste.
Hij probeert doorheen de massa tot bij Jezus te geraken.
En het lukt hem ook.
Gepassioneerd legt hij zijn geval uit.
En Jezus luistert.
Hij luistert altijd naar de mensen.
“Zeg hem, Meester, dat hij moet delen met mij”.
Maar Jezus is geen advocaat, geen notaris.
Niet voor zulke zaken.
En toch begint Hij te pleiten.
Maar voor “zijn" zaak.
Voor de zaak van zijn Vader in de Hemel.
“Man toch, zegt hij.
“Gij zijt nijdig.
“Gij wilt rijk worden. . .
“Maar ge vergeet het bijzonderste.
“Ge vergeet het allerbelangrijkste.
“Zorg dat ge rijk wordt in Gods ogen.
“Leg een kapitaal van liefde aan.
“Want zonder dat komt ge niet binnen in de hemel!
Waar hebben we dat nog gehoord, vrienden?
Zeker niet in de media.
Maar wel in het evangelie.
Twee zondagen geleden.
Herinnert ge ‘t u nog?
“Martha, Martha… één ding vergeet ge
“en dan nog het bijzonderste…”
En overal in het evangelie vindt ge dat terug.
“Wees niet bezorgd om meer te hebben, maar om meer te zijn.
Zoek de wil van de Vader te doen,
en dat is : heb elkander lief,
zoals ik U heb liefgehad.
En dan krijg je er alles bij.
En in een simpel verhaal legt Jezus uit
van die man met zijn altijd grotere schuren,
om altijd maar meer voorraad te hebben en rijker te worden,
om er lui lekker van te genieten.
Maar die uiteindelijk niets van dat alles
wat hij opgespaard heeft meedraagt als hij sterft.
Wat is het dan dat we wél zullen meedragen?
Onze echte schat.
De schat die we reeds gevonden en gekregen hebben in ons geloof.
Het is de liefde van God
die we moeten delen met anderen.
In de eerste lezing heeft Sint Paulus het erover.
Wij zijn geen gewone mensen meer, zegt hij.
Wij zijn anders dan anderen.
Wij behoren toe aan Christus Jezus.
En dat verandert heel ons leven.
Ons leven is al opgenomen in God.
Dat is het groot geheim van een christen.
Christus leeft in ons
en wij leven in Christus.
“Met hem en in hem en door Hem” zeggen we straks.
Dat werd zo mooie uitgedrukt in het doopsel van de eerste christenen.
Hoe gebeurde dat? ..
Sint Paulus zinspeelt er voortdurend op.
Zij die christen wilden worden
moesten weken lang catechese volgen.
Tot op de dag van het doopsel.
In de doopkapel was een bad gemaakt in de bodem.
In de vorm van een kruis.
Een trapje langs de ene kant,
een trapje langs de andere kant.
En onder in het water het Christusmonogam,
de naam van Jezus Christus.
De kandidaten legden hun oude kleren af.
Symbool van wat ze tot dan toe geweest waren.
3en wat ze tot dan toe gedaan hadden.
En dan gingen ze het water in
kopje onder, tot bij de naam van Christus,
Zo drukten ze uit
dat ze nu binnengingen in het leven het sterven van Christus.
Ze gingen er in onder,
maar langs de andere kant kwamen ze er weer uit.
Symbool van sterven en verrijzen met Christus.
Daarop kregen ze schitterende witte kleren.
Want ze waren nieuwe mensen geworden.
en zo gingen ze dan de ruimte binnen
waar de christengemeente hen zingend en juichend opwachtte.
Daarop zinspeelt Sint Paulus vandaag
als hij ook tot ons zegt:
Gij moet nu ook uw gedrag afstemmen op dat van Christus Jezus.
Gij hebt uw oude kleren afgelegd,
“de oude mens” noemt hij dat.
Uw fouten en gebreken van vroeger.
Bekleedt u nu met de nieuwe mens.
Bekleedt u nu met Christus
met rechtvaardigheid, eerlijkheid, liefde,.
Want dat is uw schat, uw rijkdom.
In het evangelie was sprake van twee broers die in onenigheid waren gevallen.
Of ze ooit overeen gekomen zijn, staat er niet.
Maar mag ik u van twee andere broers vertellen.
Ze hadden ook een erfenis gekregen.
Vader was gestorven.
Hij had ze alle twee een stukje land gegeven.
Ze hadden er graan op gezaaid.
De ene broer was getrouwd en had zeven kinderen.
De andere had was kinderloos gebleven
en had vroeg zijn vrouw verloren
Nu was de tijd van de oogst gekomen.
En de ene zegt bij zichzelf toen hij ’s nachts wakker lag:
“Mijn broer heeft een huishouden en kinderen,
“ik ga hem wat geven van mijn oogst.
“En ’s nachts neemt hij enkele schoven
“en legt ze bij die van zijn broer.
Maar die andere broer ligt ook, wakker en denkt:
“Mijn broer is toch een sukkelaar,
hij heeft geen vrouw meer en geen kinderen
en hij zit daar zo alleen te sukkelen.
ik ga wat schoven van de mijne bij de zijne leggen.
En hij doet het.
Maar ’s anderendaags zien ze
dat ze nog evenveel schoven hebben als vroeger.
En ze denken dat ze gedroomd hebben.
En ze doen weer hetzelfde. “
Maar halverwege botsen ze in het duister op elkaar
elk met schoven in hun armen.
En zo ontdekken ze wat ze bezig zijn.
En hoezeer ze elkaar liefhebben.
Ze laten hun schoven vallen
en omhelzen elkaar wenend van ontroering
En God, zegt het verhaaltje,
God zag het vanuit de hemel,
en Hij moest er om lachen.
En Hij zei: “Wel, bij zulke mensen wil Ik wonen”.
Amen.