Karl Barth schreef eens dat bidden niets anders is dan God aan Gods beloften houden. Dat is de manier waarop Abraham bidt, en dat is de manier waarop wij dienen te bidden. Het verhaal is eenvoudig. God heeft van de zonden van Sodom en Gomorra gehoord. Samen met twee metgezellen, die later engelen blijken te zijn, komt God plaatselijk een onderzoek instellen. Abraham wordt ingeschakeld om hen langs de kortste weg naar de twee steden te begeleiden. Als ze de steden in zicht hebben, kan Abraham terug naar huis gaan. Jahweh vraagt zich op dat punt af of hij Abraham in zal lichten over wat er zal gaan gebeuren. God besluit dat te doen. Jahweh vertelt hem dus dat er slecht nieuws over Sodom en Gomorra binnen gekomen is, dat zij met hun drieën gekomen zijn om de waarheid van die geruchten te achterhalen, om dan natuurlijk de nodige maatregelen te treffen. Als Jahweh dit allemaal aan Abraham verteld heeft, gaan de twee anderen door naar Sodom, maar Jahweh blijft bij Abraham staan, als om diens verdere reactie te horen.
Jahweh doet dat in onze vertaling, in veel andere vertalingen is dat niet zo. Daar wordt vertaald dat Abraham bij Jahweh blijft staan, hopend iets meer te horen. Dat Jahweh iets van Abraham verwacht, gaat die vertalers te ver. Maar inderdaad stond Jahweh nog iets van Abraham te wachten. Abraham heeft namelijk een vraag, een bijna brutale vraag. Abraham moet geweten hebben dat Sodom en Gomorra inderdaad schuldig zijn en hij vreest terecht het ergste voor de bevolking, waartoe ook zijn broer Lot behoort. Hij weet hoe het onderzoek zal uitpakken. Dat is dus niet de vraag. De vraag is: zal God op de oude manier de hele stad bestraffen? Zal het oude beginsel van collectieve schuld door Jahweh gehanteerd worden, zodat zonder pardon, iedereen, de schuldigen en de onschuldigen, mannen, vrouwen, kinderen, en zelfs de nog niet-geborenen in de schoot van hun moeders gestraft zullen worden?
Abraham vindt kennelijk dat God zoiets niet meer waar kan maken. ‘Zoiets kunt ge toch niet doen, de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Zal degene die de hele aarde oordeelt geen recht laten geschieden?’ Abraham schijnt zelfs meer begaan te zijn met Gods goede naam dan met het lot van de rechtvaardigen. God kan niet langer op de oude manier te werk gaan, er moet een nieuwe weg worden ingeslagen. Jahweh geeft dat toe en belooft dat te doen!
Geen wonder dat heel wat vertalers moeite hadden met deze tekst. Zoals zij, zijn ook wij er vaak te zeer aan gewend God met de grootste omzichtigheid te benaderen, op onze knieën, met gesloten ogen, overdreven beleefd, nederig, bang om ons te laten horen. Er is niets van een dergelijke houding te vinden bij Abraham, niet bij Mozes, maar ook niet bij Jezus. Het gebed dat Jezus ons leert in de tekst van Lucas begint op dezelfde manier als dat van Abraham. Begin, zegt Jezus, met God aan Gods heiligheid en soevereiniteit te herinneren: ‘Vader, uw naam worde geheiligd, uw rijk kome!’ Op die grondslag vraagje dan om een nieuwe aanpak van het leven. Een vraag om watje voor je leven nodig hebt, een vraag ook om vergiffenis, zodat de verbroken verbindingen opnieuw worden geheeld. Zeg zonder meer dat je dat zelf immers ook vergeeft. En vraag dan niet misleid, maar goed geleid te worden.
Jezus vertelt hun niet alleen wat ze moeten bidden, maar vooral hoe ze moeten bidden. Geen onzin, geen lange gebeden, gewoon eerlijk zonder omwegen, vertel watje verwacht van degene die je in het leven zette, en die je door dik en dun vertrouwt. Dat is ook de kern van het verhaal over die drie vrienden dat volgt. De eerste, die midden in de nacht aankomt, de tweede die voor hem niets te eten heeft en midden in diezelfde nacht aan de derde gaat vragen: ‘Geef me drie (!) broden.’ Dat brood wordt hem niet gegeven vanwege de vriendschap, ook niet vanwege zijn aandringen, maar vanwege zijn onbescheidenheid. Het Griekse woord luidt: anaideia, hetgeen letterlijk betekent schaamteloosheid! Te bescheiden naar God komen is geen teken van vertrouwen. Integendeel!