Zusters en broeders,
Als je bij iemand op bezoek gaat, niet zo maar eventjes tussendoor, maar echt op bezoek, dan neem je iets mee: een bloemetje, een doosje pralines, een fles. Je wil immers vooraf dank zeggen voor de goede ontvangst die je zult krijgen. Dat deden ook mijn ouders en wij, hun kinderen, telkens als we ons tante nonneke gingen bezoeken: een kleinigheid meenemen. Heel dikwijls mochten we haar niet bezoeken, en bovendien was het klooster waar ze verbleef ook niet echt bij de deur. We werden er altijd goed en gastvrij ontvangen, met koffie en taart en avondmaal, en natuurlijk een hartelijke babbel. Maar daar bleef het niet bij: we gingen nooit naar huis zonder een cadeautje. Dat kon een boek zijn, of een kalender, of nog iets anders, maar het was nooit een prul, en we waren er blij mee. En altijd opnieuw verbaasden we ons over dat cadeautje, want tante nonneke was de enige die dat deed: een cadeau geven aan wie haar bezocht. En toen ze enkele jaren geleden haar zestigjarig kloosterjubileum vierde, werden alle genodigden bij het naar huis gaan meegetroond naar een lokaaltje; daar mochten we een nummertje trekken, en aan dat nummertje beantwoordde, jawel, een klein geschenkje.
Ik denk dat je niet echt verwonderd bent dat ik bij de lezingen van vandaag aan mijn tante nonneke dacht. In beide lezingen staat gastvrijheid centraal, en die gastvrijheid is van die aard dat de gast op zijn beurt gastheer lijkt te worden. De eerste lezing is adembenemend mooi en mysterieus. “In die dagen verscheen de Heer aan Abraham bij de eik van Mamre.” “De Heer” dus, maar in het volgende vers gaat het over drie mannen, die door Abraham dan weer als één enkele “Heer” worden aangesproken. Even verder zijn ze weer met drie, en op het einde van de lezing gaat het over “de bezoeker”. Mysterieus, zonder meer. Soms wordt in die ‘één-drie’ een oudtestamentische voorafbeelding van de Drie-eenheid gezien, maar wellicht is het eenvoudiger: God komt in vele gestalten tot de mens. Ook dat maakt dit verhaal zo boeiend: het is niet alleen het verhaal van een overvloedige gastvrijheid, maar ook het verhaal van de ontmoeting van de mens met God. God die bij de mens op bezoek komt. Die mens, in dit geval Abraham, ontvangt Hem met een gastvrijheid die wij hier in het Westen niet meer kennen, maar die in Azië en Afrika en ook Latijns-Amerika in veel streken heel gewoon is. Een gastvrijheid die zo wezenlijk is, dat ze vruchten draagt: de bezoeker belooft dat Abrahams tot dan onvruchtbare vrouw Sara binnen het jaar van een zoon zal bevallen. De gast is gastheer geworden, en hij overlaadt zijn gasten met het mooiste geschenk dat ze zich wensen: een zoon.
Ook in het evangelie wordt Jezus gastheer. Marta hoeft Hem niet zo uitgebreid te ontvangen, één schotel is ruimschoots voldoende. Zo heeft ze zelf meer tijd om te genieten van haar eigen gastvrijheid, en van de woorden van haar gast/gastheer Jezus. Dat ze dus maar doet als Maria.
Zusters en broeders, deze lezingen passen perfect in deze periode van het jaar. Een periode van ‘vacare’, van vrij zijn. Vrij zijn om elkaar tot gast en tot gastheer te zijn, vrij zijn om te onthaasten, vrij zijn om het goede te doen dat we elkaar kunnen geven: de vriendschap van ons woord, de hartelijkheid van ons samenzijn, de aandacht voor elkaar. En ook vrij zijn voor wat we aan God kunnen geven: leven naar zijn woord, leven zoals Jezus ons heeft voorgeleefd. En zeker vrij zijn voor wat we van God krijgen. Hij die altijd onze Gastheer is, Hij die altijd tijd heeft voor ons. Ook in deze vakantie. Amen.