God kwam bij mensen op bezoek:
Jahweh bij Abraham, Jezus bij Martha.
En Hij werd er goed onthaald.
Wij moeten misschien opnieuw gastvrijer worden.
Op dat gebied kunnen wij nog veel leren
o.a. van de mensen uit de Derde Wereld.
Het komt er zeker op aan
een bezoeker te laten aanvoelen dat hij thuis is.
Dat doen wij door allerlei attenties.
Materiële attenties op de eerste plaats:
wij zorgen voor rust, eten en drank.
Maar dat is blijkbaar niet voldoende.
Er moeten ook menselijke en geestelijke attenties bij komen:
wij proberen tijdens het bezoek onze aandacht te concentreren
op het verhaal en de ervaringen van de gast;
hij krijgt de ereplaats; hij wordt het eerst bediend.
Maar wij kunnen nog verder gaan
en onze gast beschouwen als was hij God zelf.
Dat is de diepste, de gelovige visie op de gastvrijheid.
Dan gaan wij zijn bezoek zien als een goddelijk geschenk voor ons.
Zowel Abraham als Martha zijn in de twee verhalen
blijkbaar vooral druk in de weer om spijs en drank te laten aanrukken.
Maar de aandacht van de Heer
gaat verder dan die drukdoende gastheer of gastvrouw.
Hij heeft oog voor die andere vrouw, die op de achtergrond blijft:
Sarah in de eerste lezing, Maria in het evangelie.
Zíj krijgen van de Heer een vreugdevolle melding:
“Sarah zal een zoon krijgen” en “Maria heeft het beste deel verkozen”.
Hieruit blijkt dat Jezus
nog iets anders apprecieert dan drukdoende gastvrijheid,
nl. het stille en bescheiden luisteren naar Zijn woord,
het aandachtig horen naar wat Hij ons
door Zijn vriendschap en verbondenheid
in de stilte wil zeggen en vragen.
Gebed en actie, actie en gebed,
het zijn twee onmisbare pijlers van ons christendom.
Een christen kan niet leven zonder daadwerkelijk dienstbetoon,
maar evenmin zonder regelmatig stil gebed.
En blijkbaar is er meer gevaar
dat het tweede te vlug wordt verwaarloosd.
Wij worden vandaag hiervoor duidelijk gewaarschuwd.
Christenen kunnen namelijk zeer edelmoedig dienstbaar zijn,
maar eigenlijk op een verkeerde manier.
Zij kunnen met de beste bedoelingen veel hulp bieden,
maar in feite, juist door te helpen,
toch vooral zichzelf naar voren schuiven.
Wij merken hoe in allerlei verenigingen en organisaties
sommigen, die zich aanvankelijk grootmoedig ter beschikking stelden,
weldra op hun strepen gaan staan,
eisen gaan stellen en anderen verwijten maken,
zich onmisbaar wanen en voortdurend gedepasseerd voelen.
Zo verglijdt hun dienstbaarheid tot tirannieke machtsdrang.
Ook in de kerkgemeenschap kennen wij dat.
Wij zijn heel dankbaar voor de grote edelmoedigheid
van allerlei vrijwilligers en vrijwilligsters
in alle hoeken en kanten van de parochie.
Maar het evangelie van vandaag nodigt ons uit
ook deze edelmoedigheid kritisch te durven bevragen.
Onze hulpvaardigheid dient steeds opnieuw
te worden uitgezuiverd van die zelfverheerlijking,
die er telkens dreigt in te sluipen.
Daarvoor is ons gebed onmisbaar.
Want het gebed doordringt onze actie van zelfvergetenheid.
Als onze dienstbaarheid wordt gevoed door gebed,
dan concentreert dit de aandacht werkelijk op de anderen,
niet op onszelf.
Als een priester dus teveel de baas speelt in zijn kerk,
dan mogen de gelovigen hem gerust vragen of hij nog wel bidt…
op voorwaarde natuurlijk
dat die gelovigen zelf eerst voldoende hebben gebeden.
In ieder van ons zit een gevaarlijke Martha,
die onze meest edelmoedige dienstbaarheid
dreigt om te buigen tot een eisende tirannie:
“Zeg haar toch dat zij mij moet helpen!”
Moge integendeel de Maria in ons hart groeien,
zodat wij, bij al onze bezorgde hulpvaardigheid,
vooral luisteren naar de Heer,
die ons uitnodigt tot een liefde,
die onze eigen persoon zelfvergeten achteruit stelt
en in bescheidenheid anderen werkelijk dient.
“Slechts dat éne is nodig!”
Zelfvergeten dienstbaarheid (2004)
C-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen