Gastvrijheid

C-cyclus · Tijd door het jaar · 16e zondag · groen

Het verhaal van Abraham onder zijn tentdak zal ons bijzonder aanspreken wanneer wijzelf zojuist enkele weken onder het doek van een tent hebt doorgebracht. Nu is het kamperen in de tijd van Abraham heel iets anders dan vandaag. Aan de ene kant was het zeker een stuk gevaarlijker, maar aan de ander kant was er ook plaats genoeg. De woestijn van toen stond niet zo vol tenten als de campings in deze tijd. Tegenwoordig moet daarin wel enige orde aangebracht worden: terreinen zijn afge­bakend, plaatsen worden aangewezen.

Toch kom je soms verrassingen tegen. Het overkwam ons, dat we in een heel klein dorpje belandden. Het telde zeker niet meer dan tweehonderd inwoners. Als gemeentehuis hadden ze een mooi kasteel, dat tegelijkertijd diende als school van het dorp, maar ook als garage voor de enige brandweerwagen die het dorp rijk was. Het prachtige park rondom het kasteel functioneerde als kampeerplek. Om er je tent op te mogen zetten hoefde je geen papieren in te vullen en niet te vragen waar je mocht staan. Bij de ingang was een bordje aangebracht met daarop in verschil­lende talen: ‘Zoek het mooiste plaatsje maar uit. Ik kom straks wel langs. De park­wachter!’ We mochten gaan staan waar we wilden en niemand kwam ons achteraf vertellen, dat we op een verboden plek stonden. Een teken van vertrouwen in men­sen. Ook dat is gastvrijheid!

Abraham wist wat gastvrijheid was. Hij zat op het heetst van de dag te dommelen in de voortent. Ineens schrikt hij wakker. Er staan drie mensen voor hem. Het lijkt alsof ze uit de hemel zijn komen vallen en misschien was dat ook wel zo. Hij komt onmiddellijk in actie: het mooiste beest uit de kudde moet gehaald worden, koeken gebakken, drank klaargemaakt, kortom zijn gasten zullen niets te kort komen. Daarna neemt Abraham de tijd om hen gezelschap te houden, om te luiste­ren, om te zorgen dat de mensen, die voor die dag zijn gasten zijn, ook hun verhaal kwijt kunnen. In dat gesprek hoort hij van zijn toekomst: ‘Abraham, je leven zal niet op niets uitlopen, want je zult een zoon krijgen. Als we het volgende jaar terugko­men, zal hij er zijn.’ Kun je denken, wat een vreugde! Abraham was immers kinder­loos.

Sinds Abraham wordt in het volk van Israël gastvrijheid aangerekend als gerechtig­heid. Het is een belangrijke deugd voor elk lid van het volk. Dat speelde ook in de dagen van Jezus, van Marta en Maria. Maar soms dreigde gastvrijheid te versmallen tot alleen maar draven en zorgen, zonder aan de gedachten en de verhalen van de vreemdeling gastvrijheid te verlenen.

Marta is, zoals Abraham, in de weer om te zorgen dat de gast niets tekort komt. Daar is niets mis mee. Toch worden we ook gewezen op de andere houding, die Abraham aannam: erbij gaan staan en luisteren wat de vreemdelingen te zeggen hebben. Waarover zou Jezus met Maria anders gesproken hebben dan over het rijk van God. Hij zal tegen Maria gezegd hebben dat daarin ook voor haar een toe­komst lag. Het moet Maria als muziek in de oren geklonken hebben. Want iedere dag zag ze aan de blikken van de mensen en hoorde ze in hun woorden het tegen­deel: dat ze namelijk als twee ongetrouwde vrouwen zonder kinderen een leven leidden zonder zin. Eindelijk hoort Maria ander nieuws. Het is geen wonder, dat ze niet is weg te slaan van haar plaats aan de voeten van Jezus.

Gastvrijheid: het betekent: in actie komen en zorgen als Marta, natuurlijk; maar óók: luisteren naar wat de gast te zeggen heeft en ontdekken, hoe in de woorden van de ander hoop en toekomst verborgen liggen.

Als ergens die gastvrijheid beoefend moet worden, zal het zijn in de kerk van Jezus. Zij zou gastvrijheid moeten geven aan ieder, die ervoor open wil staan en er gebruik van wil maken. Niemand wordt afgewezen vanwege de manier waarop hij leeft of om zijn verleden. Integendeel: we zouden aan ieders voeten moeten zitten - aan die van de vreemdeling het meest - om te horen of er woorden van toekomst verteld worden…

Zoeken in Preken Online