15e zondag door het jaar C

C-cyclus · Tijd door het jaar · 15e zondag · groen

Soms is een zondagsevangelie zo vanzelfsprekend, en tegelijkertijd zo veelzeggend, dat je als predikant daar nauwelijks iets aan toe te voegen hebt. Met het verhaal over de barmhartige Samaritaan maakt Jezus heel helder wie van de drie voorbijgangers Gods eerste geboden het best begrepen heeft. Beter kan niet.

Er gaan al zoveel preken over liefde tot God en je naaste, en dus dacht ik: klaar is Kees… Of toch niet misschien, want maar weinig preken gaan over dat derde aspect: je naaste beminnen als jezelf.

Omdat het er anders te weinig over gaat, gaat het er vandaag misschien wel te veel over, over jezelf beminnen. Dat is immers een hele kunst. Niet voor iedereen. Er zijn er genoeg - te veel - die nogal wat eigendunk hebben. Maar er zijn ook nogal wat mensen die te min denken over zichzelf. Ze aanvaarden zichzelf niet echt; ze zijn nog niet geworden wie ze zijn.

En dat heeft heel dikwijls te maken - vroeger nog meer dan nu - met onze opvoeding in gezin, op school en in de kerk. Al wat je goed afging, werd dikwijls verzwegen, en dat waarin je tekortschoot, werd breed uitgemeten.
‘Hoe gaat het met hem?’, vroeg mijn vader aan de directeur, de superior van het kleinseminarie, toen moeder en hij mij na twee maanden daar mochten komen opzoeken. ‘Hoe gaat het met hem?’. ‘Ik zal eens kijken’, zei dat ‘opperhoofd’, keek in zijn boek met mijn puntenlijst, en zei: ‘Hij heeft een vier voor Latijn, en voor algebra en meetkunde nog eens twee vieren.’ Dat ik een acht voor Nederlands had, en een negen voor declameren, kwam niet ter sprake. Mijn vader had gelukkig voldoende lef om daarna nooit meer langs ‘die kanunnik’ te gaan. Voortaan gingen we rechtstreeks naar café ‘De Drie Zwaantjes’.
Wat je allemaal goed doet en deed, kwam en komt niet zo gauw aan bod, en ik denk dat daardoor zoveel mensen er moeite mee hebben zichzelf te aanvaarden, in zichzelf te geloven, van zichzelf te houden.

‘Bemin uw naaste als uzelf’, zegt Jezus, en we hebben dat vaak uitgelegd als ‘Bemin uw naaste in plaats van uzelf.’ Daardoor zijn veel mensen aan zichzelf niet toegekomen. Vanuit hun eigen onvoldaanheid werden ze jaloers, chagrijnig, zeurderig. Of ze gingen zich aanstellen, en hun ongenoegen ‘overschreeuwen’. Door hun gebrek aan liefde voor zichzelf schoten ze ook tekort in liefde voor de naaste en voor God.

Dit alles wil geen pleidooi zijn voor zelfingenomenheid of een arrogant tevreden zijn over jezelf. Maar ik zou vandaag eens een appèl willen doen op mensen die te min over zichzelf denken om te geloven dat zij Gods maaksel zijn, dat Hij ons aanvaardt en van ons houdt zoals we zijn.

Als God ons krediet geeft, mogen we ook in onszelf geloven. Maar dat leert een mens pas dan, wanneer hij, liefst vroeg of anders laat, mensen ontmoet die hem of haar laten merken: Jij mag best gezien worden; dat en dat bewonder ik in jou. Mensen moeten eerst door anderen worden gezien en opgebeurd om zichzelf te kunnen redden. Wie van de drie begreep Gods ge-boden? Dat de ware christen opsta…

Was en is dat niet degene die die ander zag en opbeurde? Ja toch!

Zoeken in Preken Online