Voor wie een omweg maakt als hij miserie ziet, is de hemel altijd onbereikbaar en is de zee altijd te wijd om over te steken. De priester, de leviet en de Samaritaan vinden de uitgeschudde reiziger op hun weg. Naarmate ze naderen wordt hij hun naaste. Ze moeten op hem botsen, willen ze hun weg voortzetten. Nader kan het niet, voor geen van drieën. Als de wetgeleerde aan Jezus antwoordt: “Gij zult Jahwe uw God beminnen en uw naaste gelijk uzelf, zo staat er geschreven in de Wet, dat is het wat ik moet doen om het eeuwig leven te verwerven”, dan liggen God en de naaste broederlijk samen op de “weg van Jeruzalem naar Jericho”, verbonden in dezelfde nood, zoals de twee liefdesgeboden in dezelfde zin in elkaar verstrengeld liggen. Wie “in een boog” om zijn naaste heenloopt, wijkt ook uit als hij God op zijn weg vindt. Wie zijn naaste “half dood” laat liggen, laat God half dood liggen. Hoe groot ook de bocht is, die hij neemt om God en zijn naaste te ontwijken, hij wordt door de doodssfeer aangetast, die zich boven de gevallen reiziger samenpakt. De gieren boven de woestijn van Juda, die hoog boven de weg naar Jericho cirkelen en wachten om zich straks op een lijk te storten, zullen ook op hem wachten, heel zijn leven door, zolang Gods gebod van liefde, dat hij goed kent, van binnen en van buiten, dat in zijn mond en in zijn hart is, half dood blijft, geen vlees en bloed wordt, niet tot leven komt en geen actie wordt, waarin God, hijzelf en zijn naaste herleven. Hij hoeft niet tot in de hemel op te stijgen, niet de andere oever van de oceaan te bereiken, om Gods stem in die van zijn naaste te horen, of de stem van zijn naaste in die van God. Hij heeft beide voor goed in zijn oren. Hij heeft ze op zijn weg gehoord. Thuis klinken ze na, of terwijl hij de offers opdraagt en de gebeden leidt in de tempel, als hij priester of leviet is.
De gieren cirkelen boven de steden, boven de kerken en stadhuizen en boven alle privé-huizen, arme en rijke, boven alle appartementen en villa’s, boven alle bureaus waar wat beslist wordt, boven alle winkels en ateliers, boven alle luchthavens, stations en hotels, overal waar mensen wonen en werken, bidden en rusten, reizen, leven, sterven. Waar men de nood van zijn naaste uit de weg gaat, komen zij lager vliegen en wachten onverstoorbaar op de dood van God, op de dood van wie hulp nodig heeft en op die van wie geen hulp biedt, van wie niet dadelijk doet wat hij kan. De leerling die geroepen wordt om Jezus als Apostel te volgen de priester en de leviet, de vreemdeling op reis en de christen, allen komen ze hun naaste tegen op hun weg. Niemand van hen moet dan eerst zijn vader begraven, thuis afscheid nemen, of zijn bezit veilig stellen. Allen moeten ze eerst God en de naaste redden van een zekere dood. Want God is hun Vader en hun naaste is hun broeder en zuster. Thuisgekomen zouden ze niemand meer vinden. En “het is niet goed dat de mens alleen is”. Hij zou het zelf niet overleven.
Zalig die zijn naaste vindt en die hem dadelijk hulp biedt, die zijn denariën en zijn mantel deelt. Op Gods wonden zal hij wijn en olie gieten en als hij voor de vogels preekt, zullen zelfs de gieren luisteren. “Wie is mijn naaste”? zal geen vraag meer zijn die onderscheid wil maken, kiezen, aantrekken en afstoten, opnemen en uitsluiten. “Wie is mijn naaste”! zal een uitroep worden: “Wie is toch mijn naaste, dat ik niet meer aan hem voorbij kan”! Met zijn naaste zal hij zichzelf vinden en God en heel zijn leven zal een uitroep worden. Niemand zal hij uitsluiten. De arme zal hij helpen en hij zal overhebben om aan God te offeren. In ruil zullen beiden hem liefhebben, zoals hij zichzelf liefheeft. Zijn vragen zal hij niet meer hoeven te verantwoorden. Hij zal verantwoording vragen aan wie er geen heeft.