Ook een wetgeleerde kan een goede vraag stellen. Ook een wetgeleerde kan oprecht zijn. Het zou verkeerd zijn alle wetgeleerden letterlijk met alle zonden van Israël te beladen. Deze wetgeleerde die in het evangelie van Lucas naar Jezus toe gaat, stelt een zeer ernstige vraag. Hij stelt de vraag van alle rechtgeaarde en zinzoekende mensen: wat moet ik doen om in het leven op het juiste spoor te zitten? Hij vraagt naar de weg om goed aan te komen. Hij stelt onze vraag. Hij is een mens zoals jij en ik. Er is niets verdachts aan die wetgeleerde en aan zijn vraag. Die wetgeleerde stelt hier geen juridische vraag naar een uitweg voor een juridisch probleem. Deze jurist is mens. Hij is ook wijs, want hij stelt vragen. Hij vertrouwt zijn eigen weten niet. Mooi.
Jezus kan blijkbaar goed omgaan met levensvragen. Hij is een goed pedagoog. Hij stelt een tegenvraag: wat lees je in je wetboek? Het citaat dat volgt, is tot in de details correct. Een goede jurist! Hij kent zijn dossier. Dat zegt Jezus ook letterlijk: uw antwoord is juist! Zowel Jezus als de wetgeleerde zijn het eens over de basisprincipes. Nu kan de discussie beginnen en concreet worden ingevuld. De wetgeleerde wil weten hoe dat moet in de dagelijkse praktijk van het dagelijkse leven. Hij is een oprecht man. Hij wil consequent zijn. Daarom vraagt hij: ‘Wie is mijn naaste?’ Dat is een kapitale vraag. In onze taal luidt de vraag: moet ik zomaar iedereen liefhebben? Ook de vreemdeling? Ook de mens van over de grens? Ook de mens uit Samaria? Tussen Samaritanen en joden lagen de verhoudingen toen niet zo best. Jezus moet dus een vreemdelingenkwestie oplossen… Op de keper beschouwd moet Hij antwoorden op de eeuwenoude en universele vraag: moet ik ook de mensen buiten mijn clan beminnen? Is het eigen volk alleen?
Op deze politiek-religieuze vraag bouwt Jezus een theorie. Hij vertelt. Hij biedt een blikopener aan: een verhaal uit het leven, een parabel. Hij vertelt over een mens die afgetuigd op de weg ligt tussen Jeruzalem en Jericho. Wat doe je met deze mens? Wat doe je met het slachtoffer van rovers en plunderaars? Of de jurist daar eens wil over nadenken? Zijn praktijk moet maar eens bewijzen of zijn juiste theorie echt juist is. Wat doe je met die man? Daarop wordt Jezus zelfs eventjes intrigerend-stout. Dat is trouwens de stijl van elke parabel. Hij voert drie mensen op: een priester, een leviet en een Samaritaan. Hij houdt een gevaarlijke spiegel voor.
De priester en de leviet hebben elk één groot probleem: zij willen de tempel dienen. En aanraking van bloed maakt hen onrein, dit wil zeggen ongeschikt voor tempeldienst. Daarmee drukken ze perfect uit wat hun probleem is: ze willen God dienen. Maar wat doe je dan met de geslagen man? Ligt de gewonde mens op de weg of in de weg? Daar weten ze geen raad mee. Dus wordt de vreemdeling opgevoerd. Hij heeft geen weet van mogelijke onreinheid bij het aanraken van een bloedige wonde. Hij kent geen enkel religieus taboe. Hij is gewoon… een mens. Hij ziet, raapt op en verzorgt.
Zou de jurist die eventjes een menselijke vraag stelde, nu ook consequent willen zijn? Het antwoord is eenvoudig: als je wil weten wie je naaste is, word het zelf.
Die parabel wordt ook aan mij verteld.