Stel u eens voor: een pastoor gaat een nieuwe parochiaan bezoeken. De huisdeur gaat op een kier open, de pastoor wordt van top tot teen opgenomen en als ze dan zijn kruisje zien, gaat de deur niet verder open: ‘Dank u wel, wij gaan niet naar de kerk’ en de deur gaat dicht! Hoe voelt een pastoor zich op zo’n moment?
Zo kunnen wij ons een beetje de situatie indenken van de leerlingen die voor Jezus onderdak gingen zoeken. De Samaritanen wilden Jezus niet opnemen voor de nacht, omdat Hij naar Jeruzalem op bedevaart ging.
Dat was echte onverdraagzaamheid uit religieuze motieven. Johannes en Jakobus, die in het evangelie twee donderzonen genoemd worden, vroegen aan Jezus: ‘Moeten wij die onverdraagzaamheid niet met dezelfde wapens bestrijden? Laat over dat dorp vuur uit de hemel regenen. Dat zou een goed voorbeeld zijn voor anderen’. Zij kenden zulke voorbeelden uit de bijbel. Over Sodom en Gomorra was ook vuur uit de hemel geregend. Tweemaal werden soldaten die de profeet Elisa gevangen wilden nemen, door hemels vuur verteerd. Jezus zelf had gezegd, dat het een stad, die zijn leerlingen niet wilde opnemen, nog slechter zou gaan dan Sodom en Gomorra.
En toch… hier berispt Jezus zijn leerlingen, die zijn goddelijke macht om te redden wilden misbruiken om een strafgericht uit te voeren: ‘Ik ben niet gekomen’, zegt Jezus, ‘om te veroordelen, maar om te redden'.
Wat Johannes en Jakobus wilden doen, blijft een voortdurende bekoring voor elke godsdienst, dat zien we wel in het Midden-Oosten. In elke religieuze overtuiging schuilt het gevaar, je eigen overtuiging te verabsoluteren en ze met alle middelen, zelfs met bedreigingen en geweld, aan anderen op te dringen. Je eist de vrijheid op voor je eigen overtuiging, maar je wilt die vrijheid niet toekennen aan hen die een andere overtuiging hebben.
Dit blijft ook een bekoring voor onze Kerk. De hevigste debatten in het laatste Concilie vonden plaats toen het ging om de godsdienstvrijheid. En als het concilie toen verkondigde dat in religieuze zaken niemand gedwongen mag worden, dat iedereen volgens zijn eigen geweten mag handelen, dat het geloof alleen in vrijheid beleefd kan worden, dan wordt deze overtuiging in de praktijk nog lang niet gedeeld door alle christenen. Wie de vrijheid van een ander respecteert, moet het misbruik van die vrijheid aanvaarden. In ons machtsdenken is dat niet zo gemakkelijk. Het is niet gemakkelijk de weg van de verdraagzaamheid te gaan. Wij hebben toch de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor het geestelijk heil van allen die aan ons zijn toevertrouwd? Het probleem is niet opgelost door te zeggen: zij moeten het zelf maar weten. Maar de echte zorg om het heil van de mensen sluit elke vorm van dwang uit. Vragen sommige ouders van hun kinderen geen dingen, die ze zelf niet meer doen? Geen wonder dat zulke kinderen dit ‘moeten’ van zich afwerpen. Dan zul je met dwang niet veel meer bereiken. Het geloof kun je alleen maar voorleven. Je godsdienstige overtuiging mag niet overslaan in fanatisme zodat je je opsluit in een ivoren toren, waardoor je alles wit-zwart beoordeelt, waardoor je de mensen indeelt in links en rechts, in goeden en kwaden. Verdraagzaamheid eist dat je de mening van anderen eerbiedigt, een zwaarbeladen woord, vanwege de veelzijdigheid van de samenleving en de veelvormigheid van de waarheid. Verdraagzaamheid is geen teken van zwakte, geen verloochening van eigen overtuiging, maar een teken van eerbied en vertrouwen dat God vele wegen kent om het hart van de mensen te vinden en om het heil van de wereld te bewerken.