Oma ligt in het ziekenhuis. De kleinkinderen maken tekeningen. Ze heeft er nogal wat, dus het prikbord boven haar bed hangt vol. ‘Zal ik ze maar opruimen’, vraagt de verpleegster, ‘in uw laatje leggen?’ ‘Nee, alstublieft niet, ze zijn zo prachtig, ze hebben zo hun best gedaan, als ze op bezoek komen, mogen ze zien hoe blij ik er mee ben.’ Hoeveel tekeningen heeft de zuster al gezien bij al die bedden? Voor oma zijn ze bijzonder, speciaal voor haar gemaakt. Het is maar, hoe je er tegenaan kijkt.
‘Simon, kijk er eens anders tegenaan’, is vandaag de uitnodiging van Jezus aan zijn gastheer. Hij is gast aan tafel. Bij ons is samen eten al bijzonder, maar in het oosten nog veel meer. Gastvrijheid is een van de hoogste plichten. In de gast ontvang je immers God zelf. De gast is de gestalte van Gods genade voor jou, je familie, de hele samenleving. Aan de maaltijd wordt het verbond van God met zijn volk bezegeld, wordt vriendschap gesloten of bevestigd. Ook deze maaltijd van Simon en zijn gasten is zo bedoeld. Daarom heeft hij Jezus uitgenodigd. Hij lijkt achting voor Hem te hebben en wil door Hem gezien worden. Een heilige maaltijd, totdat die vrouw zich tussen Simon en Jezus dringt. Gezien de uitbundigheid van haar gebaren en emoties moet zij Jezus hebben gekend en meegemaakt. Misschien was ze al een tijdje in zijn gezelschap en wist zij hoe Hij omging met mensen, hoe Hij met barmhartigheid en liefde naar hen keek en tot hen sprak.
Met een nu of nooit gebaar geeft ze aan haar verdriet de vrije loop. In haar tranen komt veel teleurstelling en gebrokenheid naar buiten. In een ontwapenende beweging giet ze al haar liefde uit, een gebroken bestaan over Jezus’ voeten. Onmiddellijk verandert de sfeer aan de maaltijd: blikken verstrakken, gedachten zijn niet meer open, maar onwelwillend, er ontstaat rumoer. De heilige maaltijd van God met ons wordt ontkracht. En Jezus aanvaardt zonder gêne, zo lijkt het, de machteloze liefde van de vrouw. Hij distantieert zich niet, Hij corrigeert niet. Integendeel, Hij maakt gebruik van de gelegenheid om deze zondares te ontvangen en daarmee de maaltijd om te buigen in een nieuwe richting. Niet meer de wettelijke reinheid, maar de liefde zal maatstaf zijn.
‘Simon, Ik heb u iets te zeggen.’ Wie van de twee zal het meeste van Hem houden? En fijntjes wijst Hij Simon op zijn afstandelijk gedrag. Simon weet hoe omstreden Jezus in de kringen van de Farizeeën is en wil zich niet compromitteren. Hoe anders dan de vrouw, die zich met heel haar verlangen naar genezing als het ware stort in Jezus’ armen. ‘Simon, je hebt je een beeld van deze vrouw gevormd en dat belet je om dit gebaar van liefde te zien en hoog te achten. En zo belet je haar om mens te worden en nieuw te beginnen. Een mens mag niet worden afgeschreven, zolang hij of zij leeft. En alleen met vriendelijke aanvaarding en een open hart kun je dat hem of haar laten weten. Kritiek en afkeuring werken niet, duwen een mens dieper in de put.’
Door de liefdevolle houding van Jezus wordt de vrouw een ander mens. Maar Simon kon het zo niet zien en daarom kon hij ook Jezus niet zien zoals Hij werkelijk is: de profeet, die in de wereld komen moest. Want dat is de taak van de profeet: de ogen te openen en aan het licht brengen, hoe de vork aan de steel zit in het koninkrijk van God.
Kijk eens anders tegen je medemensen of tegen jezelf aan en Iaat je helpen door hen met wie je leeft, die te gast zijn,aan je tafel. Je zult zien hoe de hele situatie van jouw wereld verandert. Er ontstaat ruimte, optimisme, warme nabijheid, gebaren, geschenken van liefde. De vrouw uit het evangelie is al in dat huis van liefde terecht gekomen, haar eerlijke genegenheid heeft haar in het koninkrijk gebracht, zoals het Jezus voor ogen staat: een maaltijd die niet discrimineert, maar waarbij allen welkom zijn.
Onze spraak zal ons verraden. Daaraan valt te horen, hoe geschoold we al zijn om met begrip, mededogen en vergevingsgezindheid te spreken over medemensen, die we eerder veroordeelden. De ware christen is niet te herkennen aan mooi spreken in gebed of anderszins, maar aan de vergeving van fouten en gebrek, aan het oprapen van wie gevallen is.