2e zondag van de advent C

C-cyclus · Advent · 2e zondag van de Advent · paars

God en mens kunnen elkaar niet missen. Zij hebben elkaar lief. Als ze te lang bij elkaar zijn wordt het ruzie en als ze uit mekaar zijn zoeken ze rusteloos tot ze elkaar terugvinden.

Het is in een sterk hart dat hoop en liefde samengaan. Het is ook in een zwak hart, in een hart dat de andere mist en in dat gemis sterkte vindt om de wegen te banen waarlangs de andere kan terugkeren.

Volgens onze profeet Baruch is het God die voor Israël de weg baant. Volgens het evangelie is het Israël die ‘de weg van de Heer’ bereidt. Ze beginnen natuurlijk elk aan hun kant. Ze banen zo natuurlijk hun eigen weg. Ze zijn natuurlijk in gedachte al weer bij elkaar. Zo is het pad van de liefde, van twee uit elkaar geslagen wezens. Vier dingen begrijpt het boek der Spreuken niet: ‘de weg van de arend door de lucht, de weg van een slang over een rots, de weg van een schip dwars door zee, en de weg van een man naar een jong meisje.’ De liefde bliksemt als de arend, is listig als de slang, glijdt licht als een zwaar beladen schip.

Het is advent. Bereid de weg van de Geliefde. Hij bereidt de uwe. Uw hoop zal vervuld worden. Uw liefde zal weer feest zijn.

God is met zijn volk getrouwd. Hij kan er niet van scheiden. Een scheidingsbrief kent Hij niet. Het verstoten kan Hij niet. Hij heeft een document getekend. Het ligt bewaard in de ark van zijn verbond. Het is te lezen in de tempel. Hij kan zich niet terugtrekken. Voor niets heb Ik u geschapen. Voor niets heb Ik u bevrijd. Voor niets heb Ik u door de woestijn geleid. Voor niets heb Ik u een land gegeven. Voor niets heb Ik u mijn Woord gegeven. Gij hoort het als ge bij Mij thuis komt. Voor niets? Voor alles! Voor het enige wat voor Mij telt. Voor uw liefde voor Mij en opdat ge elkaar zoudt liefhebben.

Het beloofde land in de wereld, Jeruzalem in het beloofde land, de tempel in Jeruzalem, het allerheiligste in de tempel, de ark in het allerheiligste, de stenen platen in de ark, de tien woorden op de stenen platen, het ‘Ik’ en het ‘gij’ in de tien woorden, de liefdes-verklaring van Gods jeugd voor Israël.

Sedert Israëls jeugd is er veel gebeurd. Met alle goden heeft het volk gehoereerd. En God heeft zijn geliefde niet gespaard. Het land, de stad, de tempel, alles werd geplunderd, verwoest, plat-gebrand. Tussen de puinen werd de ark nooit teruggevonden. De stenen platen met Gods woorden verdwenen voorgoed. Het was alsof God nooit gesproken had. Het was alsof Israël Hem nooit gehoord had. Maar dieper dan in de steen had God zijn woorden van liefde in het hart van de vromen en getrouwen gegrift.

Zij waren het die naar God bleven verlangen. Omwille van hen was het dat God wilde terugkeren. Voor God en omwille van hen was het dat de profeten het vuur weer deden branden van de hoop, van de liefde, van de grote verzoening, van de terugkeer van God en volk, van Bruidegom en Bruid, naar de stad en het land die ooit van hun jeugdliefde getuigen waren. Generatie na generatie stonden die profeten op en zondag na zondag treden ze op in de advent, Jeremia en Baruch en Sefanja en Micha, als vrienden van de twee Geliefden, als voorlopers van de Voorloper, om tot de God van Israël te roepen, die Zich nog aan het gezicht onttrekt en om tot Israël te roepen, dat God weer lief krijgt in de verre ballingschap en weer zoekt in het half verrezen Jeruzalem.

Niet meer op stenen platen zal de liefde gegrift staan. Het Woord zal vlees worden en onder ons wonen.

Zoeken in Preken Online