Lucas noemt ze allemaal op, de groten der aarde van toen: keizer Tiberius, zijn landvoogd Pontius Pilatus, koning Herodes, de beide gouverneurs Lysanias en Filippus en de hogepriesters Annas en Kajafas. Terwijl zij de dienst uitmaken in het maatschappelijk en godsdienstig leven, is er een zekere Johannes - een halve gare, vinden zij - die ergens aan de rand van de woestijn in naam van God, beweert hij, de mensen op hun nummer zet, hun de ogen opent, en zegt dat ze heel anders moeten gaan leven. En schiet op, zegt hij, want eerstdaags komt God zelf aan het licht. Maak ruim baan, zegt Johannes, wanneer God zich laat zien en horen.
Het zijn niet de groten der aarde, niet degenen die bij Lucas als eersten worden genoemd, die aandacht voor God vragen, en de mensen wakker schudden. Het zijn niet keizers of koningen, niet pausen en prelaten, maar gewoonlijk onverwachte mensen, die net als Johannes voor gek versleten worden, maar in wie God heel duidelijk spreekt. Vaak zijn het rare, maar profetische mensen, gelovige dwarsliggers, die ons het meest aan het denken zetten. Telkens wanneer ik bijvoorbeeld iets las of hoorde over Kees Koning, die rare Eindhovense pater, die over kazernehekken klom, en met een bijl inhakte op straaljagers, moest ik denken aan Johannes de doper, een roepende in de woestijn. En die gedachten heb ik eigenlijk nooit bij het zien of horen van ‘hoge pieten’ of prelaten. Begrijp me goed: ik houd hier geen pleidooi voor anarchisme en onrechtmatige acties, maar ik vraag wel te luisteren naar mensen als Johannes de doper, naar voorlopers, naar vooroplopers, gelovige dwarsliggers, die - soms tegen de keer en de kerk in - dromen over andere wegen, een nieuwe wereld, Gods wereld.
Maar zo radicaal en heldhaftig als zij zijn wij gewoonlijk niet. Hoe kunnen wij, alledaagse mensen, wegen recht maken, heuvels afgraven, obstakels tussen mensen wegnemen, kuilen, valkuilen voor anderen dichtgooien?
Op allerlei manieren wellicht. Paulus laat één mogelijkheid horen. Hij schrijft aan de parochianen van Filippi, en hij bevestigt hen in hun doen en laten: Ik zeg onze lieve Heer dank wanneer ik aan jullie denk; ik bid met blijdschap voor jullie, die al zoveel goeds hebben gedaan, en ik weet zeker - schrijft hij - dat jullie nog zullen groeien in liefde.
En daar zijn ze natuurlijk blij mee geweest, die eerste gelovigen van Filippi. Mensen horen, denk ik, te weinig dat ze het goed hebben gedaan. Wij allemaal vinden het heerlijk als we gewaardeerd worden, als we een schouderklopje krijgen.
Het is in alle eenvoud één van de manieren om wegen te banen, kuilen te dichten, en ruimte te maken voor God in ons midden.