Dit evangelie heeft een heel plechtig begin. Lucas bestookt als het ware zijn publiek met een lijst van machtige figuren uit zijn tijd. Hij noemt alle groten der aarde op: de keizer, Tiberius, de landvoogd, Pontius Pilatus, de koning, Herodes, de hogepriesters, Annas en Kajafas, en dan besluit hij zijn zin met heel opvallende woorden: toen kwam het woord van God over Johannes.
Je zou verwachten dat God zich zou laten helpen door een van die groten der aarde, maar niets daarvan. Integendeel, het woord van God kwam over een heel eenvoudige man, een kluizenaar in de woestijn, een mens zonder macht.
Met deze machtige zin wil Lucas het Godsrijk binnen het kader van de wereldgeschiedenis plaatsen, hij wijst er uitdrukkelijk op dat Gods woord werkelijkheid wordt op een bepaalde plaats, in een bepaalde tijd, door bepaalde personen.
Zo zou het begin van het evangelie voor vandaag kunnen luiden: ten tijde dat … president was van Amerika, toen … de plak zwaaide in Rusland, toen een … paus, …, de kerk bestuurde, toen kwam het woord van God… misschien ook niet tot de machtigen der aarde, maar bij voorkeur tot eenvoudige mensen, mensen die door daden van goedheid andere mensen tot leven wekken, die zich onbaatzuchtig inspannen om recht en gerechtigheid te doen heersen, die zich willen inzetten voor de heelheid van de schepping.
Het woord van God maakt geschiedenis, ook in onze tijd. Eigenlijk zijn wij niet in de advent, maar God zelf is in advent. Hij komt naar ons toe. Zijn advent is een geschenk en een verrassing. God komt ook nu nog in deze wereld, heel anders misschien dan mensen zich het voorstellen. God is telkens nieuw. Maar altijd komt Hij nog door mensen, die arm willen zijn voor God, die de aarde in hun hart dragen en de hemel in hun ogen, mensen die zoals Johannes zich willen openstellen voor het woord van God en een roepende willen worden in de woestijn van deze wereld. Mensen die de bergen van zelfzucht en ongerechtigheid willen afgraven, die de dalen van moedeloosheid willen aanvullen door hoop, mensen die de kromme wegen willen rechttrekken, zodat alle mensen Gods redding zullen kunnen zien. Want in Jezus is God niet vluchtig en voorbijgaand mens geworden, zoals een koning of een paus soms even een krottenwijk bezoekt om voor een paar uur bij de armen te zijn. Hij is het ook vandaag en zal het morgen ook weer zijn. Als wij ons zo bezinnen over de komst van God, dan kunnen wij weer mensen vol hoop worden. De mensen en de wereld kunnen weer geheeld worden. Bekering, waartoe Johannes ons oproept in deze advent, is in wezen niets anders dan geloven in deze blijde boodschap.
Het gaat niet om enkele kleine dingen, die in deze adventstijd veranderd moeten worden, neen, het gaat om een nieuwe levenshouding vol geloof in Gods werking in deze tijd, vol hoop dat God zal voltooien, wat wij met leed en moeite in deze wereld willen opbouwen als een maquette van het komend Godsrijk. Bekeren wil zeggen op onze plaats ons bewust inzetten voor een vredesvolle wereld, zodat de droom van God weer een stukje dichterbij kan komen.
Een missionaris keek naar een woestijnbewoner. Telkens weer legde hij zich languit op de grond en drukte zijn oor in het woestijnzand. Verwonderd vroeg hem de missionaris: ‘Waarom doe je dat?’ De man richtte zich op en zei: ‘Vriend, ik hoor hoe de woestijn schreit, zij zou graag een tuin worden.’ Zo moeten wij in deze dagen onze oren te luisteren leggen naar het leed in deze wereld. Heel de schepping en alle mensen zuchten in barensweeën, zoals Paulus zegt, heel de schepping zou een Godsrijk willen worden, waarin de mensen in vrede samenwonen, waarin men Gods schepping eerbiedigt. Aan die droom van God en aan die verzuchtingen van de mensen en de schepping zouden wij samen gestalte moeten geven, zodat heel de wereld Gods redding kan zien.