‘De ijver voor uw huis verteert mij’. Dat woord van de Psalm geeft eenheid aan deze zondag. Mozes, die het volk uit Egypte leidt, die Gods geboden leert en die de tent van de eredienst in de woestijn opricht, wordt verteerd door de ijver voor Gods huis. Jezus, die de wisselaars en de verkopers uit de tempel wegslaat, die na drie dagen zal verrijzen en zo de tempel zal herbouwen, die zelf de nieuwe tempel is, het heiligdom waar wij God ontmoeten, wordt door de ijver voor het huis van zijn Vader verteerd.
Op de eerste twee zondagen van deze vasten hebben we gezien hoe Mozes veertig dagen op de berg blijft om Gods gebod te verstaan. Als hij afdaalt en de tafels aan het volk geeft, weet hij dat hij geen gebod, maar een vrijbrief meeheeft. Jahwe heeft zijn volk uit het slavenhuis bevrijd. Hij heeft dat uit liefde gedaan. ‘Ik ben voor hen die Mij haten een naijverige God die de schuld van de vaders wreekt op hun kinderen tot het derde en vierde geslacht, maar voor hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden een God die goedheid bewijst tot aan het duizendste geslacht’. Er is geen vergelijking tussen het derde en vierde geslacht en het duizendste. Gods toom duurt kort, zijn genade is blijvend. Zo moet het ook zijn onder het bevrijde volk. Wie de God van Mozes dient mag niet blijvend haten, maar zijn liefde moet trouw en duurzaam zijn.
Er steekt geweld in het optreden van Jahwe. Hij straft regelmatig zijn volk. Er steekt geweld in het optreden van Mozes. Hij slaat de stenen tafels stuk in ziedende toorn. Er steekt geweld in het optreden van Jezus. Hij slaat de wisselaars en de verkopers uit de tempel. Het is het geweld van de naijver, het geweld van de gekwetste liefde. Wie liefheeft is naijverig.
Waar in een familie de orde uit de hand loopt, kan die met wat goede wil hersteld worden. Maar waar de liefde gestoord is, is alles gestoord. Alles kan dan gebeuren. Alle naijver, alle jaloersheid kan dan losbreken. Alle gramschap kan dan uitbarsten. Het is wat gebeurt in de Schrift, als God, als Mozes, als Jezus optreden. Het is wat gebeurt als in een familie de liefde bedrogen is.
De liefde zelf heeft echter haar eigen geweld. De gramschap leeft tot in het derde en vierde geslacht, de liefde tot in het duizendste. Zij haalt het telkens weer op de haat. Waar Jahwe vertoornd geweest is, verzoent Hij zich weer met zijn volk. Waar Mozes de tafels met de vrijheidswet stuk slaat, ontvangt hij ze op de berg opnieuw. Waar de tempel door wangedrag onteerd wordt, wordt hij in het zuiver lichaam van Jezus weer geheiligd. Waar de ouders hun kinderen gestraft hebben, halen ze ze weer naar zich toe. Het geweld van de liefde is sterker. Het heeft het laatste woord. Het haalt het op het kwaad door het offer.
Er is nooit verzoening zonder offer. Het offer wordt in de stilte voltrokken, in het hart dat zich geweld aandoet. Want het is het hart dat liefheeft. Ook in de wederopbouw van de tempel, waarvan het Evangelie van deze zondag spreekt, is het offer tussen de regels geschreven. Het is de Geest, niet de letter die over het offer spreekt. Het is het hart, niet het oog dat het offer begrijpt. Van hart tot hart gaat het Evangelie.
Met het hart het Evangelie lezen is opgaan naar Pasen. Het is het geweld kennen dat tegen alle kwaad in opstand komt, verteerd worden door de ijver voor het eigen huis, dat een deel is van het huis van God en het in Gods kracht weer opbouwen. Die wederopbouw wordt ook met geweld voltrokken, met het geweld van de liefde die tot offer beweegt. Wie de naijver van de liefde niet kent, hem is alles gelijk. Hij komt tegen niets in opstand. Wie de naijver van de haat kent, breekt zijn eigen huis af en dat van God, maar niets bouwt hij weer op.
Laten we opgaan naar Pasen, in navolging van de Heer Jezus, afbreken, desnoods tot op de fundamenten en door het offer in liefde weer opbouwen. Opgaan naar Pasen is zijn hart geweld aandoen.