De tien woorden, de tien geboden die Jahwe aan Mozes geeft, zijn de kern van de wet, de Thora, vertaald: richtingwijzer. Ze willen de weg wijzen in het leven en de joodse samenleving. Die woorden zijn betrouwbaar. Ze staan zo vast als een huis, en zijn daarom in steen gebeiteld: tien woorden, tien leefregels, tien principes.
In de loop der eeuwen werd er door geleerde mannen van alles bijgemaakt: duizenden voorschriften en regeltjes, geformuleerd door de zogeheten wetgeleerden. Zo raakten oorspronkelijke levensprincipes, in steen gegeven, gaandeweg versteend. En ver¬steend wil zeggen: zonder hart, zonder bezieling. Zo worden het dode wetten.
Maar ook op vele andere terreinen was het geloof van Gods volk versteend geraakt, opgesloten in mooie synagogen en een heel fraaie tempel. Oorspronkelijk gebouwd om God te eren, maar al gauw geworden tot statussymbool: kijk toch eens hoe gelovig wij zijn.
Toen koning David die tempel wilde bouwen, had de profeet Natan al grote bedenkingen, en Jezus zag in zijn dagen dat Natan groot gelijk had gehad.
De tempel was een monument van de in vroomheid verpakte grootheidswaan. En veel van wat zich rondom die tempel afspeelde, had niks van doen met wat Mozes in de tien woorden als leidraad had gegeven. Wat er in de tempel gebeurde - al dat brengen van offers - en in het voorportaal aan handel en gesjoemel, deed geen eer aan God. Integendeel, vindt Jezus.
En zo is het nog: wat stelt het voor hier het brood te delen, en buiten de kerk alleen aan jezelf te denken? Of wat stelt een mooi geschilderde en schone kerk voor als we elkaar erbuiten zwart maken. Wat hebben we aan mooie liederen, gebeden en mooie woorden, als we met onze zondagse jas ook ons christenzijn weer voor een week aan de kapstok hangen?
Ceremonies en feesten zijn onmisbaar om geloof te voeden en te vieren (ik ben de laatste om de waarde van goed verzorgde liturgie te onderschatten). Maar ceremonies mogen geen uitgedorst stro zijn, geen lege huls. Jezus ergert zich eraan dat de joden van hun godsdienst een geldzaak hebben gemaakt, een levenloze cultus vol uiterlijk vertoon. Hij veegt de tempel schoon, en veegt de vloer aan met al dat onechte gedoe. Breek maar af die tempel, waagt Hij te zeggen. En dat is natuurlijk tegen het zere been. Hoe durft Hij? Het centrum van hun geloof tegen de vlakte? Hij is gek, die man uit Nazaret!
Maar de tempel, de kerk, die Jezus op het oog heeft, is opge¬bouwd uit mensen die - in de geest van de tien geboden - zorg dragen voor elkaars geluk. De kerk die Hij wil, is opgebouwd uit mensen die er samen de schouders onder zetten dat er recht wordt gedaan aan iedereen, waardoor iedereen met iedereen in vrede leeft. En dan leef je ook in vrede met God.
De tempel waarin God woont, is de andere mens. En wie vanuit dit denken meehelpt aan een betere samenleving, is een steen, een levende steen, in een levende kerk. Daarom is juist dit lied me zo dierbaar:
De kerk van de Heer, de gemeente,
zij leeft en gaat nooit meer voorbij,
en het leven in haar gesteente
ja, die levende stenen zijn wij.
Een protestsong eigenlijk tegen een versteende religie, een lied dat ons uitdaagt al doende te geloven, en zo in saamhorigheid een levende kerk te zijn ten bate van de wereld.