Voor oudere mensen zijn de tien geboden één van de belangrijkste pijlers van de moraal. Met deze duidelijke taal omtrent geboden en verboden weet de mens op welke grond hij staat. Volgens sommigen verdienen deze tien woorden een even hoog statuut als de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948. Het is niet mijn bedoeling het tegenovergestelde te beweren.
Vandaag spreekt men liever van decaloog of van tien woorden. Het zijn tien woorden die ons de weg tonen. Het zijn tien woorden die ons een gebruiksaanwijzing bieden voor het menselijke geluk. Toch zijn ze meer dan een vademecum of een recept. Daar zit namelijk een geschiedenis aan vast en dat is niet zomaar terloops belangrijk. Die geschiedenis zegt ons zeer veel over de inhoud van de tien woorden. Zonder die geschiedenis zijn die woorden enkel maar puur ethische principes.
De echte betekenis van de tien woorden zit hem in de aanhef: ‘Ik ben de Heer uw God die u heb weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.’ Daarmee zijn de tien woorden vanaf het eerste akkoord juist getoonzet. De woorden hebben alles te maken met weggeleid worden uit het slavenhuis. Het is de herinnering aan de mensonwaardige ervaring van Egypte die mensen kan helpen nooit meer naar diezelfde ellende terug te keren. Dat is de juiste betekenis van de tien geboden: je gaat toch niet opnieuw de weg op van het vroegere slavenbestaan? Dáárom zult gij, dáárom zult gij niet. In dit kader functioneren deze woorden goed. Ze zijn bevrijding uit een onbevrijd bestaan.
Mensen die gedwongen worden te leven met een gestoord vader- en moederbeeld zullen pas een lang en vervuld leven hebben als vader en moeder ooit ruimte bieden om ruim te leven. Mensen die voortdurend gedood worden met woorden en vooroordelen, zullen verademen als liefde hen tot leven wekt. Mensen die zich aan elkaar verbonden hebben en die dit verbond niet beleven, zingen voor altijd het droeve lied uit de slaventijd. Mensen die zaaien onder tranen terwijl anderen komen maaien, horen opnieuw de valse tonen die in Egypte hun vreugde hebben bedorven. Zo bekeken, zijn de tien geboden het gevolg van heel kwalijke souvenirs. Dát nooit meer! Zegden en schreven wij dat ook niet na de eerste en de tweede oorlog - nooit meer oorlog? Deze diepe kreet wordt pas concreet, indien wij gaan werken aan vrede, aan een strategie die vrede sticht.
Zo wil ik de tien geboden lezen. Opdat het nooit meer een faraoregime zou worden, moet je werk maken van een strategie van een bevrijd bestaan. Dat is de logica zelf. Daaruit volgt echter ook een andere logica: wie geen oorlog heeft gekend, weet ook niet wat vrede is. Wie geen besef heeft van slavendom en slavernij, waardeert ook niet de bevrijdingskansen die geboden worden in de decaloog. De decaloog zal dan gedegradeerd worden tot een codex van verplichtingen.
Welnu, God heeft iets beters met ons voor. Hij wil ons niet met een keurslijf van reglementen bekleden. Dan zou Hij ons terug naar het land van farao voeren. Daarom was Jezus ook woedend in de tempel. Hij wilde de twee stenen tafelen in ere herstellen. Er was al teveel omvergeworpen.
De tien woorden zijn voor mensen rechtop.