Lezend in de Schrift is het u waarschijnlijk nog niet opgevallen dat Jezus dan alleen kwaad wordt als Hij zich richt tegen de misbruiken inzake vroomheid. Hij wordt niet boos op zondaars of op publieke vrouwen, wel op de schijnheilige en zelfvoldane vromen, omdat deze rechtstreeks de eer van God aantasten. Zij zetten God naar hun hand, zoeken met God hun eigen voordeel te doen. Ze schenden het heilige: “Maak van het huis van mijn Vader geen markthal.’ Dat kan zijn verterende ijver voor de zaak van God niet verdragen. Godsdienst is geen handel met God, zeker geen koehandel, kopen en betalen… ‘Ik onderhoud zijn geboden en dus moet God mij beschermen en als er fouten zijn zal ik die door offers wel af kopen’. Met zo heftig te reageren tegen uiterlijke eredienst die het gedrag van de mens niet raakt en vaak nog tegenspreekt, staat Jezus helemaal in de lijn van de profeten. Zo zegt de profeet Amos: “Ik verfoei uw feesten en ik walg van uw gaven. Weg met dat lawaai, ik wil niet luisteren naar uw gezangen. Laat liever het recht als water golven en de gerechtigheid als een neervloeiende beek. Jesaja laat het volk aan God vragen: “Waarom ziet Ge niet dat we vasten?” God antwoordt: “op uw vastendag zoekt gij uw voordeel en beult gij uw arbeiders af. Gij vast onder kijven en twisten. Is dat soms de vasten die Mij aangenaam is? In zak en as gaan liggen, is dat vasten? Is dit niet het vasten zoals Ik dat wil: zondige boeien slaken, knellende boeien ontbinden, aan verdrukten de vrijheid geven, ieder juk verbreken? Is het vasten niet dit: de hongerigen brood reiken, arme zwervers in uw huis opnemen, de naakten kleden die je ziet en je niet onttrekken aan de zorg van uw broeders?”
Zo ook Jezus. Hij leert dat de ware godsdienst altijd een dienst is van de bevrijding van de mens. Hij reageert tegen een godsdienst die verstard is tot een instituut, tot wetten en gewoonten, waarin niet alleen de mens maar ook God gevangen wordt. Wij mogen God niet opsluiten in een kerkgebouw of binnen de kaders van een strakke, zielloze liturgie. Breek die tempel maar af, zou Jezus zeggen, die tempel waar godsdienst en leven elkaar niet meer dragen. Breek die tempel maar af, als wij ‘s zondags liturgie vieren en ‘s maandags geen frank over hebben voor broederlijk delen. Breek die tempel maar af, als je het huis van God bezoekt, maar geen vreemdeling in uw huis binnenlaat. Breek die tempel maar af, waar je het Onze Vader bidt, maar uw naaste niet wil vergeven… waar je het Brood breekt met andere vromen, maar het niet wil delen met de armsten van de wereld. Als dat zo is, zegt Jezus, walg Ik van je wierook, Ik wil je gezangen niet horen zolang je me alleen eert met de lippen, maar in je hart ver van Mij af bent.
Sinds de komst van Jezus heeft de tempel een andere betekenis gekregen en wordt God gediend in het hart van elke christen. Jezus zelf is de woonplaats van God en elke christen die bidt in geest en waarheid is een verblijfplaats van God. Godsdienst wordt niet gebonden aan een bepaalde plaats of een speciaal ritueel. Ware godsdienst betekent dat men een samenleving opbouwt naar Gods hart, vol gerechtigheid en vrede, binnen de heilige ruimte van ons dagelijks bestaan.
De vasten vraagt van ons ook een tempelreiniging. Ons hart en heel de christelijke gemeenschap moeten wij reinigen van hebzucht, eerzucht en heerszucht. Wij mogen de belichaming worden van Gods aanwezigheid in deze wereld door ons in te zetten voor de armen, de zwakken en de verdrukten. Dan wordt heel de wereld een levende tempel van de Allerhoogste.