Vertalingen zijn verraderlijk. Taalkundigen, zoals Noani Chomsky, meenden nog niet zo lang geleden, dat alles van de ene taal in de andere vertaald kan worden, en dat in alle talen dezelfde gevoelens, waardeoordelen, en nuances uitgedrukt kunnen worden. Hetgeen wellicht wel waar is als het over pure abstracties gaat, zoals in de reken-, meet- en scheikunde. Zo gauw het over concrete menselijke werkelijkheden gaat is het moeilijk om dit aan te blijven nemen. De meeste taalgeleerden kwamen er dan ook op terug.
Vertalen is steeds een eindeloze worsteling. Ieder ‘onder woorden brengen’ is dat eigenlijk. Denk maar aan de moeilijkheden die we hebben om onze nieuw gegroeide inclusieve gevoeligheid ten opzichte van de verhoudingen vrouw/man uit te drukken in een taal, die daar niet op berekend is en die duidelijk patriarchaal gedomineerd wordt. Dat woord ‘domineren’ (van het Latijnse dominus ‘heer’), of be-‘heer’-sen verraadt die moeilijkheid al.
In het evangelie van vandaag hebben we een goed voorbeeld van hoe twee heel verschillende Griekse termen door één Neder¬lands woord vertaald wordt, en wat daar de gevolgen van zijn.
Het Nederlandse woord ‘tempel’ staat in ons fragment uit het evangelie van Johannes voor het Griekse hieron in vers 14, en voor het woord naos in de verzen 19 en 20. Woorden die in het Grieks heel verschillende betekenissen hebben.
Het eerste woord hieron betekent een ‘heilig gebouw’, een ‘hei¬ligdom’, een ‘schrijn’. Het tweede woord naos betekent ‘woonplaats of verblijfplaats van de godheid’, ‘daar waar God aanwezig is’. Het eerste woord wordt in vers 14 gebruikt, als Jezus het tempelgebouw binnengaat, het tweede gebruikt hij in de verzen 19 en 20 als hij het heeft over de tempel die hij zelf is. Het tweede woord is het woord dat Paulus tot twee keer toe gebruikt als hij in zijn eerste brief aan de Korintiërs hen vraagt: ‘Weten jullie dan niet dat jullie de verblijfplaats zijn van de heilige geest?’ (1Kor. 3,16-17; 6,19). Als dit alles toch al¬leen maar op een spelletje met woorden lijkt, is het goed te bedenken dat zowel Jezus, als zijn eerste christelijke getuige Stefanus, ter dood veroordeeld worden omdat ze er van beschuldigd worden gezegd te hebben dat de ‘tempel’ verwoest zou worden. Voor hen die meenden dat God in het tempelgebouw verbleef betekende die vernieling het einde van Gods aanwezigheid.
Waar is God in deze wereld? Een kwestie die priesters van alle tijden beroepshalve zeer interesseert. Het is een kwestie die door het optreden van Jezus van aard veranderde.
Jezus zei: God is niet in dat gebouw. Hij zei zelf Gods verblijf¬plaats in deze wereld te zijn. In de verslagen van de processen die voornamelijk door de priesters gevoerd werden rond Jezus en Stefa¬nus, is het duidelijk dat ze het met die ‘plaats’-verandering of verhui¬zing van God niet eens waren. Het zou hun beroepsactiviteiten on¬dermijnen.
Het is een strijd die nog steeds gevoerd wordt. In de eerste eeuwen ging het er om, om precies uit te maken hoe Jezus Gods ‘verblijfplaats’ of tempel was. Het eindresultaat van dat speurwerk werd gedefinieerd in 451i tijdens het Concilie van Chalcedon.
Toen men eenmaal zover was, kwam er tijd voor andere vra¬gen. Hoe verhoudt Jezus zich ten opzichte van de rest van de mensheid? Is Jezus de enige van wie men kan zeggen dat hij de tempel van God is? Wat betekent het eigenlijk als Paulus ons als gelovigen ook ‘verblijfplaatsen van God’ noemt?
Die vragen kwamen op, omdat er eigenlijk al een antwoord ge¬geven was. Het koninkrijk van God, Gods aanwezigheid onder ons werd meestal teruggebracht tot die ene mens: Jezus.
Toen het rijk van God zo op die ene persoon betrokken werd, bleef er voor de rest van ons mensen niet veel meer over, tenminste niet zo lang we hier op aarde zijn. Betekent dat dan dat wij op het ogenblik zonder Gods aanwezigheid zijn in deze wereld?
Er werden zo hele reeksen vragen opgeroepen, die om heldere en klare antwoorden vroegen en vragen.
Jezus zelf begon die antwoorden te geven toen hij zichzelf tot Gods verblijfplaats verklaarde. Paulus begreep al dat die aanwezig¬heid zich niet alleen tot hem beperkte, maar dat wij allen Gods wo¬ning zijn. Een antwoord waar sommige hogepriesters onder ons het nog steeds moeilijk mee hebben.