Het is oorlogstijd. Een joods meisje reist naar het dorp van haar ouders om daar aan de dominee te vragen, of hij een doopbewijs wil geven voor hen. Dan zullen ze misschien niet gedeporteerd worden. De dominee zegt tot het meisje: de namen van je ouders staan niet in het doopboek. Maar zij houdt aan: kunt u het toch niet doen, dominee? Maar hij zegt, dat hij dit niet alleen kan beslissen, maar aan zijn ouderlingen moet vragen. Zij komen, houden hun handen op de rug en de pet in hun handen. ‘Als die namen niet in het boek staan, zijn ze niet gedoopt, hoe kun je dan een doopbewijs geven?’ is hun antwoord. ‘Maar‘, zegt de dominee, ‘we kunnen het doen om de ouders van het meisje in hun moeilijke situatie te helpen.’ ‘Wat niet waar is, is niet waar’, zeggen de twee tegelijk en het meisje krijgt geen doopbewijs. ‘n Paar dagen later krijgt zij wel een brief van haar ouders: we zijn op weg naar de grens, de trein zit erg vol.
De ouderlingen en de dominee hadden gelijk, toen zij weigerden het joodse meisje een bewijs mee te geven - wat niet waar is, is niet waar - maar toch zaten ze in Gods bedoeling fout. Ze hielden zich aan de letter van de wet, maar hun nauwgezetheid kostte wel het leven aan de ouders van het meisje. Want wat is Gods bedoeling met wetten en regels? Bij Hem staat het leven centraal en Hij wil dat ook wij - in ons doen en laten - altijd van het leven uitgaan. Om ons daarbij te helpen heeft Hij ons de tien geboden gegeven, een soort richtingwijzers. Het leven mag niet weggenomen worden, het leven mag niet geschaad worden. Of positief gezegd: Mensen moeten - in hun doen en laten - steeds het leven van de ander eerbiedigen.
Gods bedoeling is, dat deze richtingwijzers ten dienste staan van het leven van mensen. Hij wil niet dat de zaken omgedraaid worden, en dat het leven opgeofferd wordt aan de letter van de wet. De mens gaat niet vrijuit als hij wetten blindelings volgt, die het leven schaden. De mens heeft een eigen verantwoordelijkheid en is verplicht zijn geweten, zijn levensgevoel, te raadplegen en wetten te toetsen, of zij gericht zijn op leven of niet.
Dat is de teneur van de eerste lezing vandaag. De tien geboden zijn bevrijdingswoorden, geen woorden die het leven bemoeilijken of onmogelijk maken. Toch is het de verleiding van iedere wetgever te menen dat hij weet wat goed is, dat hij weet wat God wil, dat hij de zuivere leer in pacht heeft. En om zijn wetten te beschermen, plaatst hij daar weer een aantal nieuwe regels om heen. Er kan dan een mentaliteit groeien van ‘alles regelen’, een mentaliteit, die meent dat alleen dan het leven in het juiste spoor geleid kan worden, wanneer alles tot in de puntjes in voorschriften en regels wordt vervat. En wij kunnen ons dan zo gaan blindstaren op regels en wetten, dat alleen het stipt nakomen ervan als het hoogste goed in ons leven wordt gezien. Men is dan - in deze gedachtegang - volmaakt, als men zich precies aan de wet houdt.
Eigenlijk zijn het arme mensen, wier leven alleen maar bestaat in het nauwkeurig, zonder nadenken, volbrengen van wat van hogerhand verordonneerd wordt. Zij leven eigenlijk niet echt, maar worden geleefd, omdat ze zichzelf niet afvragen of dat, wat hen gevraagd wordt te doen, wel overeenstemt met hun diepste levensgevoel, hun geweten. Zij leven niet echt als zij de oorsprong en Gods bedoeling van geboden en verboden niet in het oog houden. Zij leven niet echt, als ze vergeten, dat wetten er zijn voor het leven, en niet andersom; als ze vergeten dat wetten er niet zijn om het leven miserabel te maken, maar om geluk en welzijn van mensen te garanderen.
Van Jezus zien wij, dat Hij nogal eens - met opzet lijkt het wel - de wet overtreedt. Zelfs dat Hij zich - in het bijzijn van wetgeleerden en Farizeeën - afzet tegen hun wetsopvatting. Hij was zeker geen voorvechter van anarchie en wetteloosheid, maar wil dat wetten en voorschriften getoetst worden, in hoeverre zij echt dienstbaar zijn aan het leven. Als geboden en verboden gaan knellen, niet langer bevrijden, het leven niet dienen, dan worden ze verkeerd verstaan; want in Gods bedoeling moeten ze bevrijdend zijn.
Als Jezus in het evangelie zegt ‘de ijver voor Gods huis zal mij verteren’, dan slaat dit niet zozeer hierop dat Hij zich druk maakt om het stenen gebouw. Het betekent dat Hij zich inzet voor de nieuwe levende gemeenschap op Hem gebouwd.
Het is m.i. niet zo moeilijk om recht, rechtvaardigheid, te herkennen in ons leven. Het is veel moeilijker om datgene, wat je in je hart herkent als recht en rechtvaardig, onvoorwaardelijk trouw te zijn, en ernaar te leven, zelfs - als het moet - dwars tegen wetten in, ‘gaan waar geen wegen gaan.'