- De tempel van Jeruzalem was voor de Joden hun onaantastbaar patrimonium. In de 10de eeuw voor Christus als heilig pronkstuk opgetrokken door Salomo naast zijn paleis, in de 6de eeuw verwoest door de Babyloniërs, werd hij daarna povertjes herbouwd. In Jezus’ tijd was Herodes begonnen met een jaren durende nieuwbouw ervan, bedoeld als een nationaal prestigeproject.\
- Die tempel (“beth-adonaï”, “hiëron”) was het unieke heiligdom voor heel het Godsvolk. Hij was een enorm complex van zuilengangen, pleinen, gebouwtjes… Maar in het hart daarvan stond “het heilige der heiligen”(“shékina”, “naos”), waar niemand binnenmocht tenzij de hogepriester éénmaal in het jaar. Daar stond eertijds de verbondsark. Dat was de eigenlijke woonplaats van God. In deze nabijheid was Jezus blijven haperen als 12-jarige jongen: Hij wilde in het huis van zijn Vader zijn.
- Het is nu merkwaardig dat er sinds alle tijden een spanning bestond tussen de profeten, tolken van God, en die tempel met wat erin gebeurde. De kern van die spanningen was dat de uiterlijke eredienst met gebraad van offerdieren, en met alles wat erbij kwam kijken, niet altijd samen ging met het echte morele gedrag van de Joden die er kwamen, niet altijd beantwoordde aan wat er in het hart van de mensen omging. De tempelcultus verviel steeds opnieuw in lege uiterlijke rituelen.
-
Eerst had God uitdrukkelijk David geweigerd dat voor Hem een tempel gebouwd zou worden. Hij is een God in beweging die alles overstijgt. Dit voelde Salomo aan bij de tempelwijding en hij bad: “Zelfs de hemel kan U niet bevatten, hoe dan dit huis dat ik heb gebouwd ?” ( I Kon. 8,27; Jes 66,1) In tijden van moreel verval fulmineerden bij herhaling de profeten: “Stel je vertrouwen niet op bedrieglijke woorden: ‘De tempel van Jahweh is hier !… Wij zijn hier geborgen’, om daarna weer al die gruwelen te bedrijven ! Is dan dit huis in jullie ogen een rovershol geworden ?” (Jer. 7, 1-11). En Jezus herneemt: “Staat er niet geschreven: ‘Mijn huis zal gebedshuis worden genoemd voor alle volkeren’ (Jes 56,7). Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.” En het verwijt: “Dit volk eert Mij met de lippen, maar zijn hart is ver van Mij.” (Jes 29,13) Daarom: “Ik haat en verfoei jullie feesten, de offergeur kan Ik niet ruiken… Zo spreekt Jahweh de Heer !” (Amos 5, 21-22)
-
We hebben daarnet het jaar van de Liturgie, speciaal van de H. Eucharistie, achter de rug. Nu loopt het jaar van het gebed. - Er was een tijd dat velen de Mis kwamen ‘bijwonen’ als formaliteit of onder sociale druk. Ook leefde vaak de gedachte: “Ik zal mijn hemel wel verzekeren, of wat ik op aarde wens, ga ik afkopen met wat ik dump in de offerschaal.” Die misvatting werd gecorrigeerd: “Ga je eerst met je broer verzoenen, en kom dan terug om je offer op te dragen.” (Mt 5,24) - Na Vaticanum II werd, om de liturgie bij het volk te brengen, nogal wat geëxperimenteerd, soms met allerlei prettig kunst- en vliegwerk. De verbruikerswereld werd voelbaar tot in een moderne consumptieliturgie. Het gevaar van een klantenkerk: ik ga waar ‘ik’ me goed voel; ‘mijn’ sentiment is norm. Die façade leidde wel eens af naar datgene wat God niet is. Niet altijd kwam God hierbij centraal te staan. Goede liturgie echter doet ons ontwaken voor Gods aanwezigheid. De ervaring van de Russen in de kapel “Civitas Dei” (expo 1958) : “We voelden ons hart hier wakker worden.”
- De kern van dit evangelie is niet dat Jezus, als een profeet en met het woord van de profeten, de storende kooplui de tempel uitjaagt, hoe belangrijk dit gebaar als teken ook was. De kern is dat Jezus hier laat zien wie Hij in de diepte is. De verhalen in het Johannesevangelie hebben steeds een historisch uitgangspunt, van waaruit een diepte-icoon van Jezus te voorschijn komt.
-
Het gaat uiteindelijk om die uitdaging: “Breek deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen.” (Jo 2,19) Deze uitspraak verwijst natuurlijk naar Jezus’ komende dood en verrijzenis. Maar er is veel meer: Vanuit zijn verrijzenis wordt Hij zelf de ware en blijvende tempel. Hij joeg de kooplui uit de grote tempel (‘to hiëron’). Maar het woord dat Jezus op zich toepast is “het heilige der heiligen”, het kleine heiligdom (‘ho naos’), het verblijf waar God woont. Toen Jezus stierf scheurde het tempelgordijn doormidden, zeer betekenisvol. De grandioze tempel zal met de grond worden gelijk gemaakt, zoals Hij het voorspeld heeft: geen steen op de andere zal blijven (Mc 13, 1). De door mensenhanden gebouwde constructie was alleen voorlopigheid. “Er komt een tijd dat jullie noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden: het uur van de ware aanbidders in geest en waarheid. De Vader zoekt toch mensen, die zo aanbidden.” (Joh. 4, 21-23)
-
Heel de christelijke liturgie speelt zich af rond dit Lichaam van Christus. In de H. Eucharistie mogen we erin delen, wij zelf worden zijn Lichaam: “Jullie zijn de Tempel van God… Jullie zijn het Lichaam van Christus” (I Kor 3,16-17; 12,27). Die beweeglijke God gaat wonen buiten het stenen verblijf. Wijzelf zijn met Hem de levende stenen van deze Tempel geworden (1 Petr 2,5). Het leven zelf van de christen wordt eredienst (Rom.12,1)) en wordt één liturgie rond Gods aanwezigheid. De stenen tempel is ten slotte verdwenen: maar alles is tempel geworden in Christus (Openb. 21, 22).