Pinksteren betekent de vijftigste dag. Het is de dag van de volheid 7 x 7 + i = 50 Het kan niet voller. Ook niet wanneer het hier over dagen, en dus over tijd gaat. Tijd is iets vreemds. Dat weten we allemaal. Daar hebben we geen filosoof als Emmanuël Kant voor nodig. Tijd blijft een raadsel. Een raadsel dat zowel Augustinus als Einstein bezig hield. Een mysterie dat op verschillende manieren in allerhande taalspelen georganiseerd wordt. In onze taalaanpak van dit probleem spreken wij van een heden. een verleden en een toekomst. Is het niet eigenaardig dat enkele Indianengroepen in Amerika dat onderscheid helemaal niet maken? En dat een Afrikaanse filosoof/theoloog, John Mbiti uit Kamba-land in Kenia, meent dat de toekomst in zijn traditionele taal en beleving zo georganiseerd is dat er van een toekomst zoals wij die kennen eigenlijk geen sprake is. De toekomst is in die traditie een herstellen van het verleden.
We gebruiken onze nieuwste vindingen om met dit raadsel te blijven spelen. We reiken uit naar het jaar 2020, we gaan in het heden terug naar het verleden. Een film Back to the Future (‘terug naar de toekomst’) was zo’n kassucces, dat het een serie werd. We hebben een nieuw woord voor dat door elkaar lopen van tijden. We noemen het een time warp. Het is moeilijk om dat laatste woord te vertalen, maar we weten allemaal wat het betekent. Het is een situatie waarin heden, verleden en toekomst elkaar in spanning houden, op een manier dat je ze niet uit elkaar kunt houden, en eigenlijk niet weet wat nu, vroeger of later is.
De mensen in Jeruzalem, die na de dood, verrijzenis en hemelvaart van Jezus in een zaaltje op de eerste verdieping bij elkaar gekomen waren, zaten in een dergelijke tijdwarp. Ze zaten te wachten op iets wat al gebeurd was. De geest van God, de heilige geest, de geest van Jezus was al aanwezig in hun levens, en toch was die werkelijkheid ook nog niet aanwezig. Het was bijna als een spelletje. ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet.’ Ze zaten te wachten om zich actief bewust te worden van iets dat ze niet alleen kenden, maar ook beleefd hadden. Het was er allemaal al wel, maar het was er ook nog niet. Het ging dan ook over iets dat ze het koninkrijk van God noemden, dat al in ons midden is, en dat er ook nog niet is. Ze leefden in een tussentijd. De geest van Jezus was met hen, en toch was die geest in hun leven nog niet tot uitdrukking gebracht.
Het is wellicht die spanning tussen wat er al was en nog niet is, die leidde tot de verschillende rapporten over de komst van de geest over hen. In de evangelietekst blaast Jezus over hen vijftig dagen voor de vijftigste dag, vijftig dagen voor Pinksteren. De meesten van hen die zeven weken later in dat zaaltje in Jeruzalem zitten waren daarbij aanwezig. De geest was hen dus al ingeblazen, en toch zitten ze daar vijftig dagen later weer op te wachten.
Die spanning dienen we in ons eigen leven te vieren. De geest die Jezus bezielde is in ons. Ze is dat ook niet. Het is er mee als met de aanwezigheid van het rijk van God. Het is in ons; het is in ons midden en het moet nog komen.
Het is de spanning die het antwoord is op de vraag of ons geloof in de ‘verlossing’ van de mensheid niet vreselijk - inderdaad vreselijk! - naïef is. Denk maar aan de holocaust, een oorlog als die in het Midden-Oosten, de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, het bombarderen tot er niets meer te bombarderen viel tijdens de Tweede Wereldoorlog… de lijst is eindeloos. En we kunnen aan die reeks van vragen zoveel andere toevoegen die het hart van diezelfde moeilijkheid op een andere manier raken. Hoe is het mogelijk dat er binnenkerkelijke opinies opgedrongen en gewetens geforceerd worden; dat er niet alleen maar niet geluisterd wordt, maar dat men vaak ook niet wil luisteren om redenen die vaak niets met dat rijk van liefde, dat Jezus bracht, te maken hebben.
Vragen die ook steeds weer aan Jezus gesteld worden. Vragen die ook hij niet dan met voorbeelden, metaforen en analogieën weet te beantwoorden.
Het rijk van God - de geest in ons - is als een zaadje dat moet groeien; een gist dat ons moet doordesemen; een parel die nog gevonden en een vis die nog gevangen moet worden. Het zaadje is er al, maar de uitgegroeide boom nog niet. Het gist zit in het deeg, maar het moet er nog in doorwerken. De parel en de vis zijn er al wel, maar ze moeten nog aan het licht gebracht worden.