Kardinaal Alfrink stelde op de Romeinse synode de vraag: ‘Hoe komt het toch dat zoveel mensen de boodschap van Jezus zo weinig als een blijde boodschap ervaren?’ Misschien kan het evangelie van vandaag ons hierop een antwoord geven: wij leven te weinig van Gods vriendschap.
De evangelist Johannes gebruikt in deze perikoop bepaalde kernwoorden: liefde, vriendschap, vreugde. Hij wil ons duidelijk maken hoe hij persoonlijk de levende vriendschap met Jezus ervaren heeft. Eigenlijk wil hij ons zeggen; ‘Sluit u niet af voor de vriendschap van Jezus, want alleen Hij kan u de ware vreugde schenken’. Dat vooral moeten wij in het oog houden als Jezus tegen zijn apostelen zegt: ‘Ik noem u geen knechten, maar vrienden.’
Het was op de avond voor zijn dood, op de avond dat een van zijn leerlingen Hem zou verraden, een ander Hem zou verloochenen en zij Hem allemaal zouden verlaten. Jezus verlangt niet dat zij zijn vriendschap verdienen. Vanuit zijn eigen innerlijk goed-zijn noemt Hij hen allemaal vrienden, en als hoogste bewijs van zijn liefde is Hij bereid voor hen zijn leven te geven.
‘Gij zijt mijn vrienden’. Als een koning een bedelaar tot vriend heeft, zal deze laatste wel niet lang bedelaar blijven, anders zou je terecht aan die vriendschap kunnen twijfelen. Toch zijn zowel koning als bedelaar maar mensen. Maar hier gaat het om God, die ons, kleine mensen, tot vrienden maakt. Hij zal er zeker voor zorgen dat we geen bedelaars blijven. Hij zal ons rijk maken als wij bereid zijn zijn vriendschap te beantwoorden, niet door ons geld of goederen te schenken, niet door ons een prachtige carrière te laten maken, maar door ons de gaven van het hart te schenken, die alleen Hij aan een mens geven kan en die over de dood heen hun waarde blijven behouden.
‘Ik noem u geen knechten’. Een knecht doet alleen maar wat zijn heer hem vraagt. Met welke gezindheid hij zijn werk doet, komt op de tweede plaats. Van een knecht wordt prestatie verlangt, geen vriendschap. Hij moet iets van zichzelf geven, maar hij hoeft zichzelf niet te geven. Hij moet de bevelen van zijn heer uitvoeren, maar hij eet niet samen met zijn heer. Zij leven in verschillende werelden.
De vriend van de heer zit met hem samen aan tafel en deelt zijn leven. Zij bewijzen elkaar vriendendiensten omdat ze elkaar gelukkig willen zien. De een is vergroeid met de ander en leeft voor de ander terwijl hij van de wederzijdse genegenheid geniet. Jezus heeft ons tot zijn vrienden gemaakt. Hij heeft ons immers alles meegedeeld wat Hij van de Vader ontvangen heeft, en Hij is voor ons gestorven. Liefde hou je niet voor jezelf. Liefde wil meegedeeld worden. In Christus is de liefde van God voor ons zichtbaar geworden. Jezus heeft de liefde van de Vader aan zijn leerlingen meegedeeld: ‘Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, zo heb Ik u lief’. Op hun beurt moeten zij die liefde aan elkaar en aan alle mensen doorgeven. ‘Heb elkaar lief zoals Ik u heb liefgehad’.
‘Gij zijt mijn vrienden’. Dat wil zeggen: Ik laat jullie delen in mijn opdracht. Jullie zijn medeverantwoordelijk met Mij om in deze wereld het Rijk van Gods liefde op te bouwen. De last van de anderen moeten jullie op je nemen, en jullie moeten aan de Wereld tonen wat het zeggen wil: voor God en vanuit God te leven.
Als wij over deze vriendschap nadenken, dan moeten wij toegeven dat wij nog vaak een knechtenmentaliteit hebben tegenover Jezus. Wij beleven onze godsdienst te zeer als een pakket geboden en verboden, die wij moeten nakomen. Wij eren God niet genoeg met het hart. Onze godsdienstigheid is eigenlijk te zeer een bevrediging van onze religieuze behoeften en te weinig een antwoord op Gods uitnodiging.
Onze vriendschap met Jezus moet ons hart grondig veranderen, moet ons hart op het zijne doen gelijken. Slechts op die wijze en van daaruit kan ons leven vruchten dragen.
‘Oh! Seigneur, mon ami!’ (0, mijn Heer en vriend!) zingt Père Duval. Misschien kunnen wij daar wel eens over nadenken.
Als Jezus echt onze vriend is, dan wordt onze liefde niet begrensd door wensen en problemen, die in ons opkomen. Dan ga je over je eigen verlangens heen naar de mensen in nood: je buurman, je collega op het werk, je ouders, je kinderen. Die vriendschap met Jezus maakt onze liefde vrij om met elkaar ten minste een stuk van ons leven te delen.
‘Heb elkaar lief zoals Ik u heb liefgehad.’ Die vriendschap zal ons ertoe aansporen om de nood van andere mensen tot onze nood te maken. En hierbij denk ik niet alleen aan materiële nood. Te veel mensen herleiden hun godsdienst tot een geldkwestie. Geld is er nodig voor de noodlijdenden, meer dan wij nu geven. Maar geld alleen zal niets oplossen. Het zijn veel meer, en op de eerste plaats, de gaven van het hart die wij moeten meedelen.
Als wij dat nog niet kunnen, dan zijn wij nog altijd knechten. Dan is het nog niet tot ons doorgedrongen wat Jezus tijdens zijn openbaar leven gedaan heeft. Als wij zijn vrienden zijn, proberen wij elkaar oprecht lief te hebben, want dit is zijn gebod. Wie liefheeft, doet alles voor een ander met plezier en heeft alleen het welzijn van de ander op het oog, precies zoals Jezus alleen maar ons heil op het oog heeft.
Die vriendschap voor elkaar is zeker het moeilijkste gebod, maar het is tevens het gebod waaraan de wereld het meest behoefte heeft.