“Vrienden,” dat is het sleutelwoord van dit evangelie. Tijdens het laatste avondmaal spreekt Jezus veel over zijn vrienden. Heeft ooit iemand zo diep begrepen wat vriendschap betekent, dan Jezus? Niemand is ooit zo trouw in de vriendschap geweest dan Jezus. Op het uur van zijn afscheid zegt Hij tot al zijn leerlingen heel nadrukkelijk:
“Jullie zijn mijn vrienden, ik noem jullie geen dienaars meer, maar vrienden.” Dit woord wordt uitdrukkelijk herhaald na elke priesterwijding, maar het geldt voor ieder van ons. Jezus sluit niemand uit van deze vriendschap, ook niet die schuldig zijn tegenover Hem. Er bestaat een middeleeuwse legende waarin de trouw van Jezus tegenover zijn vrienden op ontroerende wijze verwoord wordt.
Jezus is met zijn apostelen voor het eeuwig gastmaal in de hemel samen. Allen hebben plaats genomen, maar Jezus begint niet met de maaltijd. Tot grote verwondering van de leerlingen laat Hij nog een stoel bijbrengen. Dan wacht Hij en wacht Hij, de stoel blijft leeg. De apostelen worden ongeduldig, waarom begint Hij niet? De spanning groeit. Opeens gaat de deur open en komt Judas binnen. Jezus staat op en gaat hem tegemoet. Tot eenieders verwondering omarmt Hij hem en zegt tot hem: “Vriend, neem plaats bij ons. Ik heb op jou gewacht!” Toen begon de maaltijd‘.
Is deze legende waar? Als ze de gesteldheid van het hart van Jezus wil uitdrukken, dan is ze zeker waar. Jezus is trouw in zijn vriendschap. In de hof van Olijven, als Judas Hem verraadt met een kus, noemt Hij hem toch nog “vriend” en dat heeft Jezus zeker gemeend. Johannes zegt toch ook: “Jezus die de zijnen liefhad, gaf hen een bewijs van zijn liefde tot het uiterste toe”. Geen grotere liefde immers kan iemand hebben, dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden.
Judas heeft die liefde van Jezus niet willen aanvaarden. Want ook dat is een kenmerk van de liefde van Jezus, dat Hij zijn liefde niet oplegt, Hij dwingt niemand.
Paulus noteert in zijn brief aan Timoteüs een hymne van vriendschap: “Als wij ontrouw zijn, blijft Hij toch trouw, zichzelf verloochenen kan Hij niet”. Jezus kan immers niet ontrouw worden aan zijn eigen wezen. Hij heeft ons niet lief volgens de maat van onze verdiensten. Jezus heeft iedereen van ons even lief, Hij heeft iedereen honderd procent lief, wie hij ook is, want God IS liefde en Jezus als het volmaakte beeld van Gods goedheid en mensenliefde, is liefde.
De Kerk, het Lichaam van Christus, is in wezen ook een Kerk van vriendschap, een kerk van trouw: trouw aan het geloof, trouw aan de sacramenten en de eucharistieviering. Zo blijft ze in de liefde van Christus, in de trouw van Christus. Wij zijn die Kerk en worden opgeroepen tot een zelfde trouw zijn: trouw aan de levenspartner, trouw tegenover onze kinderen, trouw in het beroep, trouw in het dienen van de armen en de kleinen.
En zo moeten wij ook een Kerk van de vriendschap zijn. Vriendschap is altijd hartelijk. Hartelijke mensen zijn brengers van heil, van rust… Hartelijke mensen bezitten een innerlijke rijkdom, door telkens uit zichzelf te treden om te zorgen voor de anderen, geven zij onophoudelijk hun eigen geluk door aan anderen. Het is de roeping van Gods Kerk om gestalte te geven aan Gods hartelijkheid onder de mensen, vooral aan hen die Jezus noemt ‘de minsten van de zijnen’, als de mooiste vorm van de liefde.
Geweldig is belofte van Jezus: ‘jullie zijn mijn vrienden’, maar even geweldig is zijn opdracht: ‘blijf in mijn liefde, blijf in mijn trouw’. Zijn vriendschap heeft Hij in onze handen gelegd.