Hebt u dat ook gehad, dat u in uw kinderjaren wel eens gedacht hebt dat je vader en moeder niet je echte ouders waren. Want ook al had je het goed thuis, soms was er toch onenigheid, wrevel of regelrechte ruzie. En dan begon in je hoofd je die fantasie: dat je misschien wel een vondeling was, ergens achtergelaten. Maar eens zou het moment komen, dat het grote rijtuig zou voorrijden en je brengen naar waar je eigen¬lijk thuis hoorde, en dan zouden ze wel eens zien, wie je eigenlijk was. Zo hebben we met zijn allen soms gefantaseerd. Gaandeweg heb je zoiets niet meer nodig. Want steeds meer ga je je bij de mensen waar je bij hoort je thuis voelen.
Hoe ouder je wordt, met des te meer genegenheid je praat over je ouders, die aan het begin van je leven stonden. Die genegenheid groeit nog wanneer ze er niet meer zijn. Dan ontdek je pas wat voor krachten je aan hen ontleend hebt. Als je er met elkaar over gaat praten, dan praat je niet over levensfeiten en jaartallen zoals het gelopen is. Je zegt dan veeleer tegen elkaar: weet je nog hoe ze dit zeiden, weet je nog hoe ze dat deden. Als je erover praat krijg je het opnieuw warm. Het geeft je een fijn gevoel, het inspireert je om al wat goed is op te nemen. Want je denkt: het is in hun geest om het zo te doen. Een stimulans temeer om zo goed te zijn als maar kan.
Misschien vindt u het een vreemde overgang, maar in de evangelielezing van deze dag hoor ik hetzelfde. Mensen die zich de liefde herinneren, die ze gevonden hebben bij elkaar. Die liefde in een gezin, tussen vader, moeder en de kinderen. Die liefde kun je ook vinden in andere verbanden. Bij liefde staat God tussen ons in. Als die zich ergens kenbaar maakt, dan is het in die goede verhouding tussen mensen. Wanneer we werkelijk willen ervaren wie Hij is, moeten we datgene waarnemen, wat het warmste gevoel geeft in ons binnenste. Zo waren de leerlingen van Jezus later ook bij elkaar. Ze zeiden tegen elkaar: “weet je nog van toen, toen we bijeen waren en wat er allemaal gebeurde?” Er was van alles gebeurd. De een had een grote mond gehad; de ander had op de eerste plaats willen zitten. Weer een ander had de baas willen spelen over de anderen. Er waren er zelfs geweest die gezegd hadden dat ze Hem niet wilden kennen. Maar achteraf zijn al die scherpe kanten vergeten en klinkt over en weer we waren vrienden’. Het was geen verhouding van baas en knecht, maar van gelijken, we waren vrienden. We mochten alles weten en alles kon gezegd worden, zo goed waren we met elkaar. Zelfs kon gezegd worden, dat we elkaar moesten liefhebben. En het klonk niet stom, niet bazig. Nee, in die omstandigheden, met zulke goede vrienden bij elkaar kon het gezegd worden: “Dit is mijn gebod, dat je elkaar liefhebt.” In de kracht van dat gebod en in de kracht van de uitvoering daarvan zijn mensen de wereld over getrokken. Niet om daar de baas te spelen, - ook al hebben ze het soms wel gedaan. Nee, om mensen te laten ervaren wat liefde doet en wat liefde kan en hoe gelukkig je daaraan kunt worden. Overal kan dat. Of dat nu is in de kleine kring van het gezin, of bij vrienden. Bij mensen tegenover wie we vol mededogen zijn. Mensen waarbij ons hart vlugger gaat kloppen, omdat we te doen hebben met het feit dat het leven hen zo onaangenaam treft. Overal waar we de liefde ontmoeten, waar we de liefde brengen, daar ontmoeten we de Heer in zijn kracht als een hele kostbare gave, waar we iedere keer rijker van worden.
Elkaars gelijken
B-cyclus · Paastijd · 6e zondag van Pasen · wit