De verdeling van gelovigen in schapen en herders is een ver¬deling die meer door de kerk dan door de Bijbel gemaakt is. Uit de Bijbel valt te leren dat het typerende van Jezus’ volgelingen juist was dat zij met elkaar omgingen als broers en zussen. Als zodanig waren zij elkaars herder. Christenen zijn dus geen her¬der of schaap; ze zijn allemaal elkaars hoeder. En wat het be¬tekent elkaars herder te zijn, valt op te maken uit het evan¬gelie.
Een goede herder laat hen die aan zijn zorgen zijn toever¬trouwd, niet in de steek. Een huurling gaat op de loop wanneer het moeilijk wordt. Een echte herder blijft op zijn post. Dat is één. Als wij, christenen, elkaars herder zijn, elkaar moeten behoeden, betekent dat, dat we - in de lijn van Jezus - elkaar niet in de steek mogen laten wanneer het moeilijk wordt. En dat ge¬beurt helaas nogal eens. ‘We hebben wat afgelachen met elkaar. Het kon niet op. Maar toen het me slecht ging, heb ik hem nooit meer gezien’. Dat zijn de huurlingen. ‘Ik heb nu lang ge¬noeg mijn best gedaan; nu moet een ander het maar eens doen. Ik kan niet blijven zorgen; uiteindelijk heb ik ook mijn eigen gezin’. Dat is praat van een huurling. Maar wie trouw blijven, ook in rotsituaties, dat zijn de ware herders onder ons.
Een tweede kenmerk van goed herder-zijn is dat je degenen die aan jouw zorgen zijn toevertrouwd, bij hun naam kent; dat wil zeggen: dat je hen echt kent. Voor mij zijn alle koeien hetzelfde, hoorde ik van de week een stadsjongen zeggen tegen Evert van Benthem, tweevoudig winnaar van de Elfstedentocht. Maar voor Evert niet! Een goede veehouder kent zijn beesten één voor een. Elkaars hoeder, elkaars herder zijn betekent elkaar écht ken¬nen. Mensen, gelovigen, zijn geen grauwe kudde van allemaal dezelfde schapen. Want mensen zijn uniek, stuk voor stuk, en iemand kennen begint bij het erkennen van diens eigenheid. Bij Jezus konden en kunnen mensen terecht in hun eigenheid. Hij kent ons door en door, met onze sterke en onze zwakke kanten. Maar Hij laat ons nooit in de steek.
Volgeling van herder Jezus zijn is: een mens niet zien als de zoveelste in de rij. En het is zeker niet: mensen op één hoop vegen of gelovigen samen tot een grauwe kudde maken. Het is oog hebben voor déze mens, want elk mens is er één. Dat en niet wegvluchten wanneer het moeilijk wordt, doet ons lijken op Jezus, de goede herder!