Ik ken de mijnen

B-cyclus · Paastijd · 4e zondag van Pasen · wit

Enkele tijd geleden werd voor de heidelanden van Drente in Nederland via een advertentie in de kranten een herder gezocht. Het resultaat was verrassend. 250 mensen, van alle stand en leeftijd, meldden zich. Ik weet niet wat die mensen bewoog om herder te willen worden: werkloosheid, vlucht uit het jachtige leven. In elk geval schijnt het dat veel mensen beseffen dat dit beroep iets bijzonders moet hebben.

De grote gestalten van het Oude Testament waren herders: Abraham, de vader van het geloof, Mozes, de redder van zijn volk, David, de grote koning. Het uitverkoren volk heeft tenslotte deze titel op God zelf toegepast: ‘God is mijn herder, die waakt over mij.’
Wij horen niet meer zo graag over de ‘goede herder’ spreken, omdat wij niet zo graag als schapen beschouwd willen worden. De overgevoeligheid waarmee sommige gelovigen reageren tegenover het gezag in het algemeen en tegenover de kerkelijke leiding in het bijzonder, is wel kenmerkend voor deze tijd. De tijd van ‘herderlijke brieven’ is wel voorbij, en ook de tijd dat de kudde gedwee en volgzaam in het spoor van hun pastoor liep.

De Kerk vraagt zeker niet van ons dat wij ons zouden voelen als gelovige schapen of als schaapachtige gelovigen. Dat alles bedoelt Jezus zeker niet als Hij in dit evangelie zegt: ‘Ik ben de goede Herder.’ Ik heb eens geprobeerd een eigentijds woord te vinden, dat je zou kunnen gebruiken in plaats van herder, om de bedoeling van Jezus duidelijk te maken. Wij zouden kunnen spreken van ploegbaas, teamleider, directeur, maar geen enkel woord geeft volledig weer wat je onder herder verstaat, het is een samenspel van tederheid, mildheid, trouw, leidinggevende zorg. Het is niet zonder reden dat de oudste afbeelding, die ooit van Jezus gemaakt werd, in de catacomben van Rome, een beeld is van de goede herder. De mensen weten ook heel goed wat ze bedoelen, als ze van een pastoor zeggen: ‘Dat is nu eens echt een goede herder’. Dat klinkt dan niet negatief, integendeel, zij bedoelen: dat is een man die een hart heeft, die bezorgd is voor de zieken en stakkers, voor de mensen in nood.

Juist dit bedoelde Jezus toen Hij zei: ‘Ik bende goede herder’. De herder is solidair met zijn schapen. Hebben de schapen het koud, dan heeft de herder het ook koud, smacht een schaap naar het frisse water, dan ook de herder, een herder ruikt naar zijn schapen, slaapt tussen zijn schapen, hun vuil kleeft aan zijn kleren en zijn lijf. Zo solidair is Jezus met ons. Hij kent zijn schapen bij naam. ‘Ik ken mijn schapen,’ zegt Jezus. Dat is een geweldige uitspraak, die eigenlijk pas heel concreet wordt als ik die uitspraak op mijzelf toepas. Jezus kent mij. Hij kent mijn goede en slechte kanten, mijn diepste eigenheid en Hij aanvaardt mij zoals ik ben. Het kennen van Jezus is immers geen beoordelen of veroordelen, maar een bevestigende liefde, die gaat tot het geven van zijn leven voor mij.

De volgelingen die Jezus in dit evangelie zijn schapen en lammeren noemt, noemt Hij elders zijn broers en zusters (Mt. 12,50). Als deze goede herder later tot Petrus zegt: ‘Weid mijn lammeren,’ dan zijn wij allemaal aangesproken om op onze beurt herder te zijn van onze broeders en zusters. Wij moeten, zoals Jezus, mild zijn, een hart hebben voor de anderen, wij moeten zelfs bereid zijn ons leven te geven voor het geluk van andere mensen.

In deze tijd meer dan ooit hebben de mensen nood aan herders, nood aan leiding, bevestiging en opbeuring.

Zoeken in Preken Online