Een metselaar zal zeggen dat je geen huis bouwt door de stenen lukraak op elkaar te stapelen. Een beetje wind, een beetje storm, en het stort in. Met gezond verstand verstaan we dat. Met datzelfde gezond verstand dat ons zo siert, verstaan we ook dat je voor een stevig gebouw de stenen best kruislings op elkaar moet leggen. Dezelfde metselaar zal ook zeggen dat de hoeksteen belangrijk is: die houdt het al bijeen. Over die hoeksteen gaat het vandaag in de lezing van Petrus.
Om dat juist te verstaan, hebben we wel even iets meer nodig dan gezond verstand. Wij zijn immers in volle paastijd en Petrus getuigt daarover. Hij spreekt de overheden van het volk toe. Dat zijn de Sadduceeën, die niet in de verrijzenis geloven en even¬min in het hiernamaals. Met dat ongeloof gaat Petrus de confrontatie aan. Volgens de Sadduceeën gaat God met ons enkel mee tot aan de muur van de dood. Met de dood valt het doek over het leven. Met de dood valt ook het doek over God. Hij is enkel bruikbaar voor het dagelijkse leven. Verder speelt Hij geen rol. Alleen welvaart en aanzien zijn een teken van Gods zegen.
De Sadduceeën voelden zich goed in hun vel… op voorwaarde dat Jezus niet uit de doden op zou staan. Dat was een woord teveel. Daar begint hun ergernis. Hun ergernis betreft dus een gebrekkige die genezen is “in de naam van Jezus Christus”. De overheden reageerden daar negatief, verbolgen op vanuit een ouderwetse reflex. Volgens hen kon God een gebrekkige namelijk niet zegenen. De welvarende mens was een gezegende en de gebrekkige een vervloekte. De sukkelaar valt buiten elke zegening. Wie het tegenovergestelde zegt, gooit de heilige orde der dingen omver. Gelovig zijn en succesvol leven, dat hoort bij elkaar.
Petrus getuigt van een ander inzicht. Voor hem begint Jezus pas een Levende te zijn, als mensen tot leven komen. Volgens hem begint de mens pas gelovig te worden, wanneer hij de sukkelaar laat aanzitten aan onze tafel als volwaardige disgenoot. Dat is voor hem zelfs de hoeksteen van het huis van het geloof. Als je dat niet gelooft, valt het huis in puin. Dan is geloof vrijblijvende saloncultuur. Petrus, die het zelf ooit ook zo gezien had, revolteert daartegen.
Hij heeft daarvoor slechts één argument: Jezus zelf wil blinden doen zien en lammen doen lopen. Hij brengt mensen op de been. En bovenal: waar dat gebeurt, daar is God, daar is verrijzenis, daar is christendom. Dat is de actualiteit van Pasen. Wie dat niet aanvaardt, bouwt een huis zonder hoeksteen. Het moet ons dan ook niet verwonderen dat er zoveel is wat in puin valt.
Ik zie zoveel wat de heren Sadduceeën tegenspreekt. Zij hebben alleen maar hun weelde begrepen en zich nooit neergebogen over het leed van de kinderen der mensen die gestoord werden door precies hun marginalisering. Ik heb intussen wel geleerd grenzeloos eerbied te hebben voor mensen die een gebrekkige genezen. Wie dat doet, heeft van het hele lied veel meer begrepen dan de mens die de zegen voor zichzelf reserveert. Hij is niet de hoeksteen. Overal waar in Jezus’ geest mensen geheeld worden, verrijst een huis met een stevige hoeksteen.
Christenen bouwen verder… ondanks de overheden.