Onze ‘openbaring’: een bezit, een waarhedendepot? De verrassende ontdekking, telkens weer: God is niet ver gebleven, heeft zich in de geschiedenis laten zien, heeft zich laten kennen. God heeft kleur bekend.
Grote woorden, geloofswoorden, veelal dichtgeslibd en massief geworden, of leeg en gaandeweg vergeten, maar soms herkend, aan den lijve gevoeld, ervaren als warmte en kracht, gezien als doorschijnend en openend licht, gehoord in stemmen en stemmetjes.
Zijn stem: ‘Trek weg - Ik zal bij je zijn’, ‘Bevrijd mijn volk - Ik zal er zijn’, ‘Dit is mijn dienaar - Ik neem je bij de hand'.
En mensen, toekomstloze niet-vaders als Abraham, slavenbroers als Mozes, kinderen der vervreemding als Israël, kwamen tot leven. De mist trok op, de hemel scheurde open, licht van vrijheid daagde, juist toen we het niet verwachtten. Een timmermansjongen - zoekend, vindend, aangevochten, levenslang een leerling - hoorde: ‘Jij bent mijn Zoon’. Een open¬baring, sterker, directer, definitiever dan ooit.
Wat was zijn geheim, de krachtbron in zijn leven, het ene punt waarvan Hij uitging, en waarnaar Hij telkens weer terugkeerde? Ambitie? Ideaal? Ideologie? Niets van dat alles! Al-leen dit: dat Hij ‘Abba’ (vader, pappa) zei, niet buigend of kruipend, maar rechtop, niet hebbend of grijpend, maar ontvangend en verwonderd, niet gevangen, maar frank en vrij: ‘Abba'.
De doop is niet iets dat ik heb. Gedoopt ben ik niet. Gedoopt word ik, telkens opnieuw. Telkens opnieuw: het water van de dood door om tot leven te komen, de realiteit onder ogen zien om toekomst te ontwaren, angst en twijfel toelaten om bevrijding te vinden, worstelen en boven komen, levenslang de geboortepijn van het kindschap, broeder- en zusterschap. Maar de enkele ervaringen van gekend en bemind te zijn, thuis gekomen en aanvaard te zijn… die neemt niemand mij af. Jezus bidt, lezen we vaak. Dat is: teruggaan naar de bron, naar dat woord: ‘Jij bent mijn Zoon’. Het is: zijn oorsprong gestand doen, de toekomst openhouden, zijn leven verankeren in de Geest van Jahwe.
God heeft zich laten kennen: ‘Jij bent mijn Zoon’. Dit woord zal Jezus vergezellen tot in de uiteindelijke onderdompeling van lijden en dood. We zullen het horen op de berg van de verheerlijking: ‘Deze mens is de stralende toekomst van allen; zijn weg is de weg ten leven’. En op de berg waar Hij godverlaten de geest geeft, zal een honderdman beamen: ‘Deze mens was een zoon van God’. Pas door mensen uitgesproken krijgt Gods woord zijn diepste betekenis.