Beste Vrienden,
De KRO maakt op de televisie reclame voor zichzelf,
en ze hebben daarbij een bewerking van de aloude tien geboden,
de tien
woorden die ons richting geven in het leven.
U ziet dan iemand een
tekst schrijven op ene glazen plaat.
De eerste van de tien woorden
is:
ik ben de Heer uw God, Gij zult geen afgoden vereren maar mij
alleen aanbidden en bovenal beminnen;
In het nieuwe KRO-jasje heet het:
God is er.
God is er,
een statement, een verklaring;
God is
er,
wij hebben het nodig dat zo nu en dan uitdrukkelijk verkondigd te
krijgen.
God is er, ja wat anders,
Toch is het voor veel mensen
niet zo vanzelfsprekend;
iets, zeggen sommigen, er zal toch wel iets
zijn.
Maar tot iets kun je niet bidden,
tot iemand wel. Daarom
spreken we graag van een God die zich om ons bekommert.
Iets droogt je
tranen niet,
iemand wel.
Pleidooi voor een persoonlijke God.
God
is er, en ik ben er,
en laat God zich nou met mij bezig houden.
Onvoorstelbaar, ik weet het,
maar wel wat er in alle geschriften, bij
alle profeten en in alle psalmen geschreven staat.
En zo lezen we
het ook vandaag:
Ga de hele geschiedenis maar eens na, zegt Mozes tegen
het volk.
De zin die eraan vooraf gaat is heel illustratief::
De
Heer uw God is een God van liefde.
Hij zal u niet verlaten
en u niet
in het verderf storten.
Wat Hij uw voorouders onder ede heeft beloofd,
vergeet Hij niet.
Belofte, van God.
En dan zegt Mozes: kijk toch
naar wat er gebeurt,
vanaf het allereerste begin,
van het ene einde
van de wereld tot aan het andere:
raak je niet onder de indruk;
is
het geen wonder?
De grootheid van God,die blijkt uit wat er allemaal
onder de hemel gebeurt,
maar die ook blijkt uit het feit dat God zich
met ons bezig houdt;
Hij is niet alleen de schepper aan het begin,
hij is ook de behoeder en behouder van al wat leeft;
God richt zich tot
ons, in zijn grootsheid en verhevenheid,
en… wij overleven het.
Natuurlijk blijven er vragen…
het is altijd onze constructie die we
opzetten,
het is langs de lijnen van ons denken dat we God denken.
Kan niet anders, maar het maakt wel dat we bij elk beeld
tegelijk
moeten toevoegen: anders, heel anders dan wij kunnen denken.
Ik heb God
niet in mijn zak,
als dat zou kunnen was God niet groot.
Jezus
vertelt over God, over hoe we God Abba, Vader mogen noemen,
hoe God een
God is die zorgt,
een schoot van ontferming, om een moederlijk beeld te
gebruiken.
Jezus vertelt hoe hij kind van God is,
en wij zeggen:
Jezus, bij uitstek Gods Zoon,
vol van de Geest van God zelf;
En
Jezus konden we zien,
mens in ons midden en dus concreet waarneembaar.
En toch, als Jezus na Pasen aan hen verschijnt,
op de berg om ten hemel te
varen,
dan nog zijn er onder zijn leerlingen die twijfelen:
ook daar
weer: gelukkig, laten we daar maar in horen:
er blijft altijd ruimte
voor twijfel;
daar zijn we mensen voor.
We moeten altijd bij alles
wat we zeggen altijd toevoegen:
het is toch anders, God is toch anders,
nog weer groter, nog weer liefdevoller,
nog meer ontfermend.
En het
einde van dit stukje evangelie is tegelijk
het einde van heel het
Matteüs-evangelie :
en het is een zin die hier tegen de muur van
de kerk geschreven zou mogen staan,
of nog beter: in onze ziel
geschreven:
zie ik ben met u,
alle dagen,
tot aan de voleinding
der wereld..