6e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

In Jezus’ tijd leven veel zieke en gehandicapte mensen buiten de gemeenschap, in isolement. Men was bang voor besmettingsgevaar, en men dacht dat hun ziekte een gevolg was van zonde, en dat ze dus verdienden uitgestoten te worden. Wanneer Jezus vandaag een melaatse de hand reikt, en hem geneest, doorbreekt Hij daarmee de gedachte dat ziekte een straf van God is, haalt Hij de zieke uit zijn isolement, en neemt Hij hem weer op in de kring van mensen. Hij hoort er weer helemaal bij, want als Jezus ergens een hekel aan heeft, is het dat mensen elkaar soms bewust links laten liggen.

Wie ziek was - en wie ziek is, want zoveel is er niet veranderd -, voelt zich dikwijls uitgerangeerd, op een zijspoor gezet. Wie gezond van lijf en leden is, hoort erbij. Hoewel we ook dat niet moeten overdrijven. Zo zegt Jezus een keer: ‘Het is beter met één oog het rijk der hemelen in te gaan dan met twee ogen in het helse vuur te worden geworpen’. En zo geldt ook: beter iets mankeren maar met vrienden om je heen dan gezond en wel denken dat je niemand nodig hebt. Beter gehandicapt en content dan volmaakt van lijf en leden, maar altijd ontevreden. Beter dood en nog levend onder de mensen dan levend en toch al dood.

Maar goed, Jezus geneest dus een van die melaatsen die gedwongen zijn in aparte groepen te leven. Hij geeft hem weer een gave huid. Hij geneest hem van zijn ziekte, maar bevrijdt hem tevens van die andere pijn: het gevoel er niet meer bij te horen. Vaak is die nevenpijn net zo erg als de eigenlijke kwaal of het eerste verdriet.
‘Toen mijn man arbeidsongeschikt werd, deed dat zeer, niet alleen die vernauwing in de bloedvaten, maar ook dat hij zijn vak niet meer kon uitoefenen. En ook die opmerkingen op feestjes: Jij hebt makkelijk praten; jij hoeft nooit meer te werken; jij krijgt je geld zo thuis'.

Of iemand verliest een dierbare. Hij houdt zich heel flink voor de buitenwacht, maar niemand ziet zijn tranen wanneer hij ’s avonds moederziel alleen voor de televisie zit. Hij hoort de omgeving denken: Hij is haar wel heel vlug vergeten. Hij doet of er niks gebeurd is.

Of mensen hebben problemen met een van hun kinderen. Dat is al erg en moeilijk genoeg. Maar dan ook nog de kletspraat van de straat. Dat is wat ik nevenpijn noemde.

Tegen allerlei ziekten en kwalen kunnen wij soms maar heel weinig doen. Maar die tweede pijn die onze samenleving aantast, en soms melaats maakt, aan die rotte plekken kunnen we wel iets doen: minder kletsen, niet zo vlug oordelen, beter luisteren, vaker zwijgen, en wat meer denken: hoe zou ik me voelen in zo n situatie?

Paulus schrijft: Wat je ook doet, geef geen aanstoot; zoek niet je eigenbelang, maar dat van de gemeenschap.

Het carnaval koos dit jaar als veelzeggend motto: ‘k Zè ‘r gère bij. Ik denk dat dit een levenslang verlangen is van alle mensen, ziek en gezond. We horen er allemaal graag bij, en niemand staat graag alleen. Toen Jezus de melaatse genas, hoorde hij er weer bij.

Zoeken in Preken Online