De waardigheid van de zieke mens

B-cyclus · Tijd door het jaar · 6e zondag · groen

Een achtjarige jongen werd door het Aids-virus geïnfecteerd. Zijn lerares vertelde op de televisie wat voor gevolgen dat voor die jongen had. De jongen werd plotseling behandeld als een melaatse. De andere kinderen wilden niet meer met hem spelen. De familie werd gemeden. Zelfs de leraars meden de jongen. De pastoor kon zeggen wat hij wilde en dat er helemaal geen besmettingsgevaar bestond, de mensen reageerden met angst en meden alle contact met het gezin. Had die jongen plotseling op onschuldige wijze alle recht op menselijk leven verloren?

In onze tijd wordt Aids wel eens vergeleken met melaatsheid. Wij kunnen ons zo inderdaad weer beter de situatie van een melaatse voorstellen, maar ook de betekenis van de houding die Jezus aannam. Marcus zegt: ‘Door medelijden bewogen stak Jezus de hand uit, raakte de melaatse aan, en sprak: “Ik wil, word rein”.

Hier gebeurt iets heel ongewoons. Jezus raakt een onaanraakbare aan. Wij hebben er in onze tijd en in onze streken geen idee van, wat het betekende zo’n onaanraakbare aan te raken, iemand die je een besmetting kan doen oplopen, iemand die door roepen en aparte kleding moest aangeven dat men uit zijn buurt moest blijven. Jezus raakte die onaanraakbare aan omdat Hij zelf geraakt werd, door medelijden bewogen werd. Hier speelt het instinctmatige gevoel mee dat wij eigenlijk even kwetsbaar zijn als die mensen die uitgestoten worden, het besef dat de scheidingslijn tussen ziek en gezond, tussen arm en rijk, tussen gelukkig en ongelukkig maar heel broos is. Door medelijden bewogen raakt Jezus hem aan omdat Hij zelf door hem geraakt wordt. Daarmee doorbreekt Jezus de afschuwelijke extra-straf, die deze man opgelegd gekregen heeft: uitsluiting en eenzaamheid.

Jezus raakt de melaatse aan. Je voelt dat de mensen in de omgeving van Jezus een koude huivering over de rug loopt. ‘Zo iets doe je niet!’ Later is het voor de leerlingen duidelijk geworden, dat God zelf hier aan het werk was. Want de naam van God zegt in de Joodse taal juist: verbondenheid, nabijheid: ‘Ik zal er zijn voor u’, zoals ook de naam Emmanuël: ‘God met ons’. In die aanraking maakt Jezus Gods nabijheid zichtbaar. Daardoor verdwijnt in de wereld rondom Jezus voor een ogenblik de duisternis, die duivels, diabolisch, genoemd wordt.

Diabolos waarvan ons woord ‘duivel’ afgeleid is, betekent oorspronkelijk: hij die alles uit elkaar drijft, die mensen apart zet, afstoot. Door die aanraking laat Jezus zien dat het Rijk van God voor alle mensen openstaat en dat wij alle mensen moeten aanvaarden.

Wij hoeven niet alleen aan Aids te denken, er zijn meer vormen van melaatsheid, er zijn meer mensen met wie wij niet in contact willen komen. Ieder van ons heeft zo zijn onaanraakbaren en bij een ernstig gewetensonderzoek kun je ze met name noemen. Wij hebben er vaak een heel fraaie reden voor. Wij zeggen dan: ‘Met zulk soort mensen kun je niet praten’, of: ‘Wij hebben met hen geen contact’, waardoor wij aangeven dat mensen door een wand van ons gescheiden zijn. Welke mensen zie ik liever gaan dan komen? Welke mensen zie ik letterlijk of figuurlijk niet staan?

Onze God is een God van verbondenheid, die niemand uitsluit. Zo moet ook de Kerk een plaats zijn, waar niemand uitgesloten wordt, waar allen bijeengeroepen worden, want dat betekent het woord ecclesia, kerk. De Kerk is de plaats waar, in naam van God, alle schuld vergeven wordt, waar mensen zich met elkaar verzoenen, waar iedereen, die om wat voor reden ook uitgestoten wordt, opgenomen wordt. Als wij proberen te doen wat Jezus ons in dit evangelie heeft voorgedaan, dan zal een zieke nergens beter geborgen zijn dan in een christelijke gemeenschap. Dan zullen wij niemand afzonderen, want voor elke zieke moet Gods liefde zichtbaar gemaakt kunnen worden. Wij moeten ons laten raken door medelijden voor elke mens, zodat wij bereid zijn niemand af te zonderen of uit te stoten. De eerbied voor elke mens is het hoogste gebod van God.

Zoeken in Preken Online