De gewone tijd door het jaar, buitengewone tijd van Gods vergiffenis, van vrede en verzoening, van uitschakeling van de geesten van onreinheid, is ook de tijd van de verlichting van het lijden.
Jezus treedt op als de Heiland, Hij brengt heil, Hij heelt, Hij maakt de mens weer heel. Bij iedereen is er wel iéts dat gebroken is, dat weer heel moet gemaakt worden. Iedereen weet wat het is ‘met koorts te bed’ liggen. De mensen lijden ‘aan allerhande ziekten’, ze zijn van ‘‘tal van geesten’ bezeten. Iedereen wil weten waar Jezus aan het bidden is. Niemand is er die niet begrijpt waarover het gaat als Simon en diens metgezellen Hem vinden en zeggen: ‘Iedereen zoekt U’. Iedereen zoekt iemand die hem weer heel kan maken, iedereen zoekt Jezus, de Heiland.
De kerk die u samenroept om naar het evangelie te luisteren heeft ergerlijke pretenties. Ze beweert dat Jezus alle lijden verlicht. Ze leest eerst het Boek Job. Ze heeft het geërfd van haar vaderen. Het is een boek van de Joden. Niemand weet wanneer het geschreven is. Job woont in Us, een land dat niemand weet liggen. Het verhaalt van lijden en geluk, dingen die iedereen kent. Niemand zal ooit weten wie het Boek Job geschreven heeft, maar het zal altijd gelezen worden, door iedereen, bij wijze van spreken: iedereen zoekt een oplossing voor het lijden. Iedereen is op zijn of haar manier een gelukzoeker. De Kerk leest het Boek Job en beweert dat Jezus de sleutel voor het geluk aanbiedt. Dat is een ergerlijke pretentie.
Job wordt getroffen in alles wat een mens treffen kan. Hij verliest zijn bezittingen en zijn kudden, hij verliest al zijn kinderen, hij wordt met de pest geslagen, hij wordt om dit alles door zijn vrouw gehoond en verwenst. Zijn vrienden komen hem overtuigen dat het zijn schuld is als hij Gods straffen ondervindt, dat hij zich maar hoeft te bekeren en dat alles dan weer goed zal gaan. Ook al is hij zich van geen schuld bewust en heeft hij eerlijk gebeden en offers gebracht, toch wordt hij door God berispt en hoort dat zijn opstandigheid God niet aankan. Zijn ‘armen zijn te kort om met God te boksen’. Tegenover God en de mensen heeft hij edel gehandeld en toch vindt hij niemand in de hemel of op aarde die zijn lijden verlicht. ‘Bedenk dat mijn leven een ademtocht is, dat mijn ogen het geluk niet meer zullen zien Hij gaat de hele cyclus door, hij drinkt de beker tot de laatste druppel. Als een totaal gebroken man erkent hij machteloos het mysterie van Gods grootheid. Pas dan komt er weer licht over zijn dagen en rust gedurende zijn nachten. Ook het lijden van Job wordt door Jezus verlicht. ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde’. Ook de macht over het lijden. Over de koorts van de schoonmoeder van Simon. Over de ‘allerhande ziekten’ waaraan de mensen van Galilea lijden. Over aids en pest en melaatsheid. Over wroeging en schuld waaraan het hart en de ziel lijden. ‘Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken’.
De ergerlijke pretentie van de kerk, die naar haar Heer verwijst en blijft zeggen dat Hij alle lijden verlicht, wordt iets verder in het Evangelie opgehelderd. ‘Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf zich naar een eenzame plaats, waar Hij bleef bidden’. Iedereen sliep nog Jezus is alleen, oog in oog met God, zijn Vader en met het lijden dat Hij die dag bij zovelen heeft verlicht. Hoe bad Jezus daar? Marcus vertelt het ons op het einde van zijn evangelie. ‘Abba, Vader, zo bad Hij, voor U is alles mogelijk; laat deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet wat Ik, maar wat Gij wilt’. Simon, Jakobus, Johannes en Andreas waren Jezus achterop gekomen bij zijn eerste gebed. Zij hadden Hem gezegd: ‘Iedereen zoekt U’. Bij het gebed in Getsemane waren de eerste drie leerlingen er ook weer bij. Tot drie maal toe vielen ze in slaap. Tegenover het lijden van de mens is niet het gebed van Jezus ergerlijk, maar de slaap van de bisschoppen en de priesters.