5e zondag door het jaar B

B-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

Over de man Job vertelt ons de Bijbel dat hij getroffen wordt door voortdurend verdriet en aanhoudende ellende. Het ene ongeluk is nog niet achter de rug of het volgende treft hem. Job is het leven moe; hij zegt: ‘’s Avonds denk ik: Wanneer wordt het morgen?, en ‘s morgens denk ik: Wanneer wordt het avond?. Zolang het licht is, ben ik ziek van ellende’. Hij is te-leurgesteld in God. Waarom moet hem dat allemaal overkomen? Het verhaal van Job - die geen mens kwaad deed, maar zelf wel allerlei ellende over zich heen krijgt, en die onverdiend de ene klap na de andere krijgt te incasseren - is het verhaal, het levensverhaal van veel mensen die onverdiend aan het tobben zijn geraakt. Net als Job zien ze het dikwijls helemaal niet meer zitten. Die lieve Heer is helemaal niet zo lief, en in plaats van te bidden kunnen ze - heel begrijpelijk - alleen nog maar mopperen in de richting van de hemel. Met Job vragen zij zich af: Waarom? Waarom ik? Waarom wij? Waaraan hebben we dat verdiend? Op die vragen krijgen wij net zo min als Job een afdoend antwoord. Er is alleen een vermoeden, een gelovig vermoeden. Dat horen we Job verwoorden wanneer hij door het lijden gelouterd zegt: ‘En toch weet ik heel zeker dat mijn verdediger leeft, en al ben ik nog zo geslagen en hard aangepakt, ik zal God zien; Hij zal aan mijn zijde staan’. Alleen in hun beste ogenblikken kunnen lijdende mensen zoiets hopen en geloven, geloven dat er ooit ergens recht wordt gedaan!

De hele dag is Jezus doende geweest tussen zulke mensen. Mensen met allerlei ziekten en kwalen zochten Hem op omdat er een genezende kracht van Hem uitging. Nadat Hij de schoonmoeder van Petrus overeind heeft geholpen, stroomt de hele stad voor de deur samen; en Hij genas velen van allerlei kwalen en kwade geesten. De volgende morgen - na een nacht van gebed - vertrekt Hij. Om ergens de kracht vandaan te halen om klaar te kunnen staan voor mensen gaat Hij voortdurend in gebed, ook nu weer. Daarna vertrekt Hij die morgen, en is het alsof Hij de mensen daar in de steek laat. ‘Iedereen zoekt U’, komt Petrus vertellen, en toch gaat Hij verder. Hij wil niet worden tot de wonderdoener, het idool, aan wie ze zich vastklam-pen. Hij is niet gekomen voor hen alleen, voor een bepaald soort mensen. Hij wil aan iedereen over Gods bedoelingen vertellen, aan allerlei mensen, op vele verschillende plaatsen. Bovendien maakt Hij met zijn vertrek duidelijk dat niet Hij alleen, maar ook heel gewone mensen elkaar kunnen genezen van kwade geesten, elkaar kunnen bevrijden van allerlei ziekmakende situaties, en onnodige pijn kunnen genezen. Hij vertrekt, want zolang Hij er is, gaan ze niet zelf aan de slag.

Het verhaal over Job vertelt: er is veel leed dat je zomaar overvalt, en daartegen valt eigenlijk niks te doen. Er is alleen de hoop, het gelovig vertrouwen dat God het ooit goed zal maken. Maar er is ook veel kwaad dat we elkaar aandoen, en waaraan wel degelijk iets te doen is. Het evangelie zegt ons: dat mogen we niet aan Jezus of aan God overlaten. Dat kunnen wij zelf genezen; daar zijn we zelf verantwoordelijk voor.

Er is in de wereld veel ellende waartegen niet te vechten valt. Daarover kunnen Job en veel mensen meepraten. Maar er is ook veel ziek, verziekt door ons, en daaraan kunnen we wel veel doen. Gelukkig zijn er veel mensen die helen, heil brengen, genezen, en die hun omgeving beter maken. En in zulke lieve mensen komt God, die dikwijls zo ver weg is, toch weer heel dichtbij.

Zoeken in Preken Online