Eens vroeg een gehandicapte aan Harry Nouwen om gezegend te worden. Harry zocht daarop naar zijn beste woorden en hij sprak die ook heel hartelijk uit. Toch was het kind niet tevreden. Het zei met zijn ogen dat het iets anders wilde, iets meer. Toen begreep de begeleider dat zijn woorden niet genoeg waren. Hij gaf het kind een warme zoen. Toen was het kind gezegend. Toen was het woord áf. Het woord vroeg om een supplement.
Wanneer Marcus duidelijk wil maken waar het in het Rijk Gods om te doen is, gebruikt hij een begrippenduo: Jezus verkondigt en geneest. Dat is niet enkel psychologisch gezond, het zegt ons ook iets over hoe God met mensen omgaat.
Hij wil dat de mens tot leven komt. Dat gebeurt met woord en gebaar. In onze soft-cultuur klinkt dat goed. Toch is Marcus helemaal niet soft. Hij werkt niet met pastelkleuren. Dat is hem compleet vreemd. Volgens hem wordt het evangelie niet met sentimentele tinten en tonen gerealiseerd. Trouwens, zijn wij vandaag zo soft? Ik zie zoveel harde agressie.
Om te zien waar het om gaat, moeten we eventjes leren denken zoals onze ‘primitieve’ voorouders van eeuwen geleden. Voor hen hadden kwaad en lijden met elkaar te maken. Die kwamen allebei namelijk uit dezelfde kwalijke bron. Moreel falen en fysisch falen hadden eenzelfde oorsprong. Het waren signalen van machten die de mens in hun greep houden. Om het gewoon te zeggen: het waren boze geesten of iets als de kwade hand. Ten tijde van onze grootouders werd ook nog zo geredeneerd. En vandaag eigenlijk ook nog: de satan is weer ‘in'.
Je kunt die machten pas breken, zo leert Marcus, als je een genezend woord spreekt, als je de mens met een therapeutisch gebaar aan zichzelf teruggeeft. Eenvoudiger gezegd: als je aan een mens enkel een bevrijdend woord geeft, zit hij nog met één voet in het moeras van het kwaad. Ook die voet moet je losmaken. Dan pas verlaat de mens het rampengebied.
Wij kunnen natuurlijk deze primitieve beelden rationeel afdoen met slogans. Dat is niet ernstig. We kunnen ook de verschillende zones van het menselijk bestaan uit elkaar leggen en over elk van die zones wetenschappelijk nadenken. Dat is wel ernstig. We hoeven echt niet terug te keren in de tijd om alles te willen oplossen met remedies ‘op grootmoeders wijze’. Wie ziek is, is ziek en is ergens ziek. Laten de specialisten ons maar onderzoeken en genezen. Dat is gewoon een weldaad. Vele ziekten zijn, God zij dank, vandaag niet meer ten dode.
Toch hoor en lees ik zoveel over psychosomatische ziekten. Toch beluister ik voortdurend mensen die erover klagen dat hun ziekte wel ernstig wordt genomen maar dat er geen tijd en geen aandacht is voor de zieke mens. Die klacht is meer dan reëel. Staan we daarmee zover af van het evangelie?
Als wij nu eens de link met duivels en boze geesten uitschakelen, staan we dan niet op reële grond om over de kwaal van de mens realistisch te spreken? Elk goed woord moet de mens openen en bevrijden, bevestigen en bemoedigen en dus genezen. Maar eveneens: elke therapeutische behandeling mislukt uiteindelijk als de zieke het goede woord niet mag horen. De mens is meer dan een raderwerk en een machine. De mens is een zinzoeker.
Het evangelie is zo gek nog niet.