‘In de avond, na zonsondergang, bracht men allen die lijdend of bezeten waren, bij Hem…’
Jezus genas zieken, inderdaad. Maar wat betekent dat handvol genezingen in vergelijking met bv. een Fleming die de penicilline heeft uitgevonden, in vergelijking met zoveel pioniers van de wetenschap die baanbrekend werk hebben verricht zodat wij nu met een geneeskunde staan als nooit tevoren, zodat de levensduur met tientallen jaren verlengd is. In hoeveelheid hebben de genezingen van Jezus geen enkele betekenis.
Hun betekenis moet worden gezocht in de verkondiging van de blijde boodschap. Zij hebben daarin een belangrijke symboolwaarde.
Jezus brengt Gods glimlach over de wereld, een glimlach die mensen bemoedigt en bevestigt in hun zoeken naar menselijke ontplooiing..
De genezingen zijn daar de illustratie van.
In een samenleving waarin de ziekte gezien werd als een straf voor begane zonden, is de genezing een bevrijding uit hun sociaal isolement.
Hij bevrijdt mensen uit bezetenheid, uit verslaving en verdwazing. Zij mogen weer zichzelf worden. Hij bevrijdt mensen uit fatalisme, hij behoedt ze voor de wanhoop, en de waanzin.
Gods glimlach ervaren doet mensen anders leven. Dat maakt mensen gezond in de brede betekenis van het woord.
Zich bekeren tot het Rijk Gods is geheeld worden : de innerlijke gebrokenheid van ons bestaan overstijgen en tot een harmonie komen tussen denken en doen, tussen voelen en spreken, tussen lichaam en geest. Zonder schuldcomplex, zonder angst, zonder wantrouwen, zonder depressies. Ook de zieke mag en kan zich volop mens voelen.
Jezus heeft de ziekte niet uitgeschakeld maar Hij heeft de zieke behoed voor isolement en achteruitstelling en getoond hoe de gezonde, aandacht en begrip, medeleven en respect moeten opbrengen voor hun zieke medemensen. Zij zijn de eersten in het Rijk Gods.