Van koorts bevrijden

B-cyclus · Tijd door het jaar · 5e zondag · groen

Maurits is zevenenzeventig jaar. Hij is van kindsbeen fysisch gehandicapt. Hij heeft moeten strijden om zichzelf te ontwikkelen, want toen hij schoolplichtig was geraakte hij als “gebrekkige”, zoals toen werd gezegd, niet binnen in het gewoon onderwijs. Dank zij een grote innerlijke “veerkracht” heeft hij door zelfstudie en gedragen door een beweging met lot en bondgenoten, in zijn geval KVG, een actief beroepsleven gehad. Gehandicapten kwamen toen zelden op straat. Families stonden alleen met hun leed, zij zwegen erover en hielden hun kinderen thuis of in een instelling.

Zij spraken Hem aanstonds over haar

Die stilte bestaat nog. Er wordt gezwegen over de jonge moeder met kanker, over de grootvader, opgenomen in een geriatrische dienst, over de zoon met Hiv-besmetting. Jij kan mensen reeds lang kennen en opeens vernemen dat hun moeder nog leeft en dat zij een broer hebben, die al maanden of jaren in een instelling woont of verblijft. Rondom ziekte en handicap is pijn verbonden, die niet zo gemakkelijk wordt geuit, maar die toch sterk op een gezin kan drukken. Heel in het bijzonder is dit voor gezinnen, waar iemand dementerend is en waar ouders de kinderen van hun eigen kinderen zijn geworden.

Toch is het niet vreemd dat wanneer Jezus in Kafarnaüm in het huis van Simon en Andreas binnenging er aanstonds over de schoonmoeder van Simon werd gesproken. De behuizing was niet ruim, zodat de zieken daar moeilijk verborgen konden blijven. In de kleine stadsgemeente aan het meer wisten mensen ongetwijfeld meer van elkaar als nu de bewoners van een groot appartementsgebouw op het Antwerpse Kiel. Hoogstwaarschijnlijk had de schoonmoeder van Simon zelf de wens Jezus te ontmoeten, die man in wie haar schoonzoon en diens broer zo geboeid waren. Deze beiden vonden het wellicht vanzelfsprekend dat Jezus aandacht zou hebben voor de zieke in huis. Hij, die kort voordien iemand bevrijd had van onrust en van een onreine geest.

“Zij spraken aanstonds over haar”. In deze zin steekt de bezorgdheid van elke familie met een zieke. Zij zijn er om bekommerd. De ziekte van een familielid raakt immers gans het gezin. Familieleden zitten met hun pijn en willen er over spreken, maar wie hoort ze en begrijpt hen ?

Ze lag met koorts te bed.

Koorts is een signaal. Teken van een kwaal. Bij ziekte is de ganse mens geraakt, in zichzelf, in zijn verhouding met de omgeving. Hij zit met vragen en maakt zich zorgen over de toekomst. Zware zieken erkennen zich in de klacht en het getob van Job:

“’s Avonds denk ik: wanneer wordt het morgen?

en ‘s morgens: wanneer wordt het avond?

En zolang het licht is ben ik ziek van onrust.”

“Mon Dieu, pourquoi as-tu fait la nuit si longue?” God, waarom is de nacht zo lang? Job verwoordt met zijn ervaring de leegte in het leven van een aantal mensen. Is dit leven? Zwoegen, slaaf zijn, wachten op je loon, kijken hoe je op het einde van de maand rond komt om de huur te betalen en de lening af te korten?

Het ganse net van familie, verzorgers, vrijwilligers rondom de zieke mag evenmin de oren stoppen voor de geestelijke en religieuze noden van de zieke. Gezondheid omvat naast een fysisch, een psychisch en sociaal luik eveneens een spiritueel luik. Elementen van zin of een hoger doel in het leven worden meestal niet mee opgenomen. Er is spirituele pijn om lijden dat nooit uitgesproken is

Een zware ziekte brengt ons, zoals trouwens ouderdom, de betrekkelijkheid en eindigheid van het leven voor ogen. De draad van de weefspoel is afgerold. Het leven is maar een ademtocht. Vrienden, familieleden, zorgverleners staan naast de zieken. Zij trachten zijn spirituele pijn te horen en ze zullen proberen om bij de zieke de levenskracht te ondersteunen. Zolang er adem is, is er leven. Dum spiro, spero. Bij een levensverwachting van maanden is elk uur het bewaren waard.

Hij ging naar haar toe.

Bij ziekte blijven vrienden en werkcollega’s geleidelijk aan achterwege. De ziekenkamer is een drempel. Een man, met wie er een goed wederzijds contact was geweest, kwam niet meer over de vloer, eenmaal dat zijn gebuur zwaar ziek te bed lag. Een ziekenbezoeker bleef buiten wanneer de zieke, die hij regelmatig had bezocht, de terminale levensfase was ingetreden. “Wat kon ik daar nog zeggen?” vroeg hij zich af. Hij kon zo moeilijk de pijn aan van het afscheid nemen.

Ziek-zijn is omgaan met de gevoelens bij de zieke en zij die met hen in relatie staan. Welk is daarbij de veerkracht, zowel van de zieke als van zijn omgeving? Het draagvlak kan verbreed, wanneer wij samen overleggen, taken verdelen en volgens de mogelijkheden er elk een deel van opnemen.

Jezus ging naar de zieken toe. Hij bleef niet weg. Hij inspireert velen om datzelfde te blijven doen en met eerbied naar zieken toe te gaan. Dit gebeurt door de gezondheidswerkers, door Ziekenzorg, door een parochiale werkgroep, door collega’s op het werk. Het houdt toch in dat wij de eigen leefwereld van de zieke en zijn gezin eerbiedigen, dat wij oog hebben voor privacy.

Hij pakte ze bij de hand.

Zonder de voorschriften van hygiëne te verwaarlozen, gaf de ziekenhuispastor elke zieke, die hij bezocht, de hand. “Bij patiënten wiens hand men gedurende een minuut heeft vastgehouden, kon men tot 30 minuten na de aanraking minder pijngedrag (kreunen en ongecontroleerde bewegingen) vaststellen dan bij de patiënten bij wie er geen fysisch contact had plaats gevonden” (Uit het proefschrift van K. Cornette, Met de adem van het leven. Een theologische lezing van de spirituele zorg in palliatieve settings).

“Een handdruk en een oogknipje kunnen jaren van vriendschap oproepen wanneer een vriend in doodstrijd is. Liefde duurt niet alleen eeuwen, ze heeft slechts een seconde nodig om naar boven te komen” (H. Nouwen).

Hij deed haar opstaan.

Jezus is de verrezen Heer. Hij is de opgestane Heer. Elke ontmoeting met hem hield en houdt een verrijzenismoment in. Het is een evangelisch refrein: God wil de mens doen opstaan. Opstaan en leven geven, dit blijft de zorg zelfs tot het einde toe. Inzichten uit de palliatieve zorg hebben bijgedragen tot een ruimer perspectief. Stervensbegeleiding is levensbegeleiding. Ze is een zoektocht naar de Geest doorheen alle levensfasen.

Vrij van koorts, bediende zij hen.

De schoonmoeder van Simon is de eerste vrouw die in het evangelie van Marcus vernoemd werd. Eenmaal genezen, staat de mens in een nieuwe verhouding met zichzelf, met de omgeving, met het spirituele. Hersteld en genezen, dient deze vrouw uit Kafarnaüm Jezus en zijn eerste volgelingen. Jezus dienen is de wijze, waarop zij haar geloof in Jezus en de navolging van Jezus uitdrukt. In de nabijheid van Jezus kreeg zij een nieuwe adem.

Velen die aan allerhande ziekten leden genas Hij.

Waarom genas Hij ze niet allen? Waarom dreef Hij niet alle boze geesten uit? Alle gebroken harten zijn nog niet genezen en alle bloedende wonden nog niet geheeld (Ps. 147). Als gemeenschap hebben wij een opdracht om het lijden te verminderen, om zieken te helen, om een goede gezondheidszorg beschikbaar te stellen. De oudchristelijke traditie beklemtoonde meer dan nu dat God zijn volk genas (Ex. 15, 26). Hij is een liefhebber van het leven (Wijsheid, 11, 26). Jezus, kwam opdat mensen het leven zouden hebben in overvloed (Joh. 10, 10). Hij werd de “Heiland” genoemd omdat Hij het heil bracht. In de prefatie danken wij God om “heil en genezing te vinden”, maar verwachten wij echt van Hem en van zijn Kerk heil en genezing? De charismatische beweging, de Ark-gemeenschappen van Jean Vanier en andere bewegingen zeggen ja op deze vraag.

Het moment waarop Jezus in het evangelie van Johannes sterft en de geest geeft, is dit waarop Hij het leven schenkt. Vrouwen zijn op dat moment in zijn nabijheid, zoals een van hen zes dagen tevoren bij Hem was om Hem te zalven en er weer bij zal zijn op de morgen van Pasen.

Religieuze zorg is niet voorbehouden aan specialisten met een theologisch diploma. “Alle gelovige zorgverleners kunnen de draagkracht en de zegen, de troost en het nieuwe perspectief, de vreugde, de voltooiing en de vergiffenis van de Geest bemiddelen” (K. Cornette, op. cit. p. 289). Wanneer gelovige zorgverleners de Geest over zich laten waaien en Hem inademen, worden zij zelf gevoelig voor die Adem, aanwezig bij de anderen. Zij stellen zich binnen het krachtveld van de Geest. Zij proberen af te dalen in iemands spiritueel leven en trachten het te lezen als het ‘leven in de Geest’. Katrien Cornette spreekt in dit verband van een pastoraat in pneumatologisch perspectief Het betekent een evolutie tegenover vroegere pastorale benaderingen. Tot de jaren zestig lag de nadruk in de spiritualiteit van die periode vooral op de vaderlijke pool in het Godsbeeld. God als Vader zendt zijn Woord aan de wereld. In die pastorale visie ontleent de pastor zijn identiteit in hoofdzaak aan de bediening van het Woord. Hij was voorganger in gebed, maar behield een veilige afstand ten opzichte van het lijden. Er komt nadien een verschuiving van aandacht in de godsbeleving van de pool van de Vader naar de pool van de mens Jezus toe. Hierin licht God-als-Zoon op. Hier werd niet langer de verkondiging centraal gesteld, maar de diaconie. “Pastores zagen het als hun eerste taak te luisteren naar mensen, waarbij ze zichzelf - net zoals Jezus - onvoorwaardelijk en totaal aan mensen wilden schenken. In hun nabij-zijn (en niet in hun afstand) brachten zij het toppunt van menselijke (en daarmee ook het goddelijke) in de wereld binnen”. Er is een evolutie van de God voor ons, in de lijn van de God-Vader naar de God bij en met de mensen in de persoon van Jezus. Deze weg gaat verder om de Geest God in mensen te ontdekken. “De derde pool uit het godsbeeld, de pool van de communicatie en de groei, vraagt nu om meer gewicht. Wanneer de Geest of de God-in-ons (1 Joh 3, 24) centraal zou komen te staan, zou het pastoraat veel beter op de (geloofs)noden van de tijd kunnen geënt worden. De centrale vraag zou dan niet meer zijn: ‘hoe God, van buitenaf, in en situatie zonder God aanwezig te brengen’?, maar wel: ‘hoe God, die op de wijze van de Geest reeds lang aan de gang is (lang voor de pastor verschijnt), in mensen helpen aanwijzen?’” (K. Cornette, op. cit. p. 290-291). In zulk perspectief moeten wij minder aanbrengen, maar veel meer ontdekken wat er aan levens- en veerkracht aanwezig is, dit laten opborrelen en dit samen vieren.

Hij begaf zich op een eenzame plaats, waar hij bleef bidden.

Marcus sluit die lange dag uit het leven van Jezus af met een tijd voor gebed. Het vindt plaats heel vroeg in de ochtend. Jezus was een biddend man. In het avonduur dankte Hij wellicht zijn Vader voor de mensen, die Hij overdag had mogen ontmoeten en in het vroege ochtenduur gingen zijn gedachten tijdens het bidden naar hen aan wie Hij de komende dag het aanbreken van Gods rijk zou mogen aankondigen in woord en daad. Het leven van Jezus was “ingebed”. Goede ziekenzorg gaat gepaard met gebed (Marc Desmet, Dag en nacht. Een spiritualiteit vanuit de medische ervaring, Lannoo, 1996, p.p. 185-201).

Cicely Saunders (° 1918), stichter van St. Christopher’s Hospice en de hospicebeweging, die eruit is voortgekomen, was een spirituele vrouw. De zorg voor de zieken was bij haar ingebed in een sterk geloof in alle eerbied voor andere overtuigingen. Haar leven had de wil van God als middelpunt. “In gebed en meditatie legde Dr. Saunders haar plannen altijd eerst aan God voor, vooraleer er me anderen over te spreken. Zij was een vrouw gedragen door de overtuiging dat haar leven in Gods handen lag en dat zij als werktuig van zijn liefde fungeerde. Volgend Bijbelvers droeg ze in haar schoot overal met zich mee: “Denk aan de Heer op al je wegen, en Hij zal je paden effenen” (Spr. 3, 6). In de kantlijn van haar kleine Bijbel stond bij dit vers genoteerd: “Zonder Hem kan ik niets doen. Niet het kleinste deeltje daarvan is mijn verdienste, alles is het Zijne, maar zonder twijfel is er iets van zijn plannen dat Hij door mij verwezenlijken wil. Dit is mijn taak, mijn roeping: Zijn wil door mij heen te laten werken” (K. Cornette, op.cit., p.12).

Bidden is een vorm van solidariteit, die wij hoogstwaarschijnlijk tot onze laatste levensadem kunnen beleven. Zelfs wanneer mijn handen niet meer meewillen en mijn benen geen kilometers meer afleggen, dan nog kan ik biddend bij anderen aanwezig zijn. Een oudere vrouw, zittend voor het raam, zei: “ik heb elke dag zoveel intenties om te bidden. Ik denk aan alle mensen die in de straat voorbijkomen”.

Zoeken in Preken Online