Beste vrienden,
In ons leven kennen we veel gelukkige, maar ook zeer ongelukkige momenten, waardoor we soms uitspraken doen zoals: Vreugde en leed zijn vaste begeleiders op onze levensweg! Zo lang we gezond en fit zijn, zijn we doorgaans heel tevreden met ons leven. We richten ons in dat leven knus in en de dagelijkse sleur wordt routine. Maar wanneer dan plots het noodlot toeslaat, en we met ziekte, leed of zelfs met de dood worden geconfronteerd, dan wordt ons leven plots heel anders. Een dergelijke gebeurtenis verandert ons leven dikwijls ten gronde, en meestal treft het ons ook heel onvoorbereid. En dan komen al die vragen naar boven! Vragen die voor niemand van ons vreemd zijn: Waarom ik? Waarom laat God al dat leed op deze wereld toe? Waarom toch, Hij is toch almachtig? Waarom grijpt Hij niet in? Waarom laat Hij dit lot nu juist op mij vallen? Of ook nog de vraag: Waarom heeft God de mensen geschapen zoals wij zijn? Die vragen zijn zo oud als het geloof aan God zelf, en ik ben ervan overtuigd dat menig theoloog zou moeten erkennen en toegeven dat het misschien juist het zoeken naar antwoorden op deze vragen was, wat hem heeft gemotiveerd om aan die studie te beginnen.
Als we eerlijk zijn, hopen we toch allemaal ooit een antwoord op deze vragen te vinden. Het is toch volkomen normaal dat we willen begrijpen waarom er leed in de wereld is. Leed dat ons menselijk leven soms moeilijk of zelfs ondraaglijk maakt. En wanneer God dan toch de schepper van alle leven is, dan moet Hij daar toch ook iets mee te maken hebben?
Met al die gedachten in ons hoofd bevinden wij ons nu helemaal in de sfeer van de lezing van vandaag. Ze werd in verschillende fasen neergeschreven tussen 600 en 200 jaar voor Christus en ze vertelt ons over Job, die erover klaagt hoe het hem is vergaan met al de catastrofen die hem in zijn leven zijn overkomen. Job is een vrome jood die alles bezit wat een mens voor zijn geluk nodig heeft. Maar dan verliest hij plots alles. Zijn kinderen sterven, zijn kudden worden gestolen en zelf krijgt hij een afgrijselijke huidziekte. Wie zou het hem kwalijk kunnen nemen dat hij zich door God verlaten en in de steek gelaten voelt. Job beschrijft zijn leven als een “krijgsdienst” en zijn nalatenschap als een plaag en een voortdurende ontgoocheling. Heel duidelijk beschrijft hij zijn slapeloosheid, zijn nachtelijke onrust uit angst en bezorgdheid. Hij beseft dat het leven voorbijvliegt en vergelijkt het met een weefspoel waarvan de draad ten einde loopt. Ik ben er zeker van dat, indien je deze beschrijving aan een moderne psychotherapeut zou voorleggen, hij het geval onmiddellijk zou herkennen. Gewoonlijk krijg je bij een dergelijke omschrijving alleen maar de diagnose: “Depressie”. Een depressie met een , vooral naar binnen gerichte, agressie en woede. En hoe zou het dan verder gaan? De eerste stap van de therapie zou zijn: Praat het allemaal van je af, en dan als volgende stap: probeer naar mogelijkheid je levenswijze te veranderen.
Job reageert in die situatie op een goede manier. Hij vervalt niet in sprakeloosheid. Hij richt zijn woede en agressie over het hem aangedane leed niet naar binnen, maar hij bidt klagend, zelfs aanklagend, tot zijn God, die hem dat schijnbaar allemaal heeft aangedaan. Hij schreeuwt zijn woede, zijn vertwijfeling, zijn angst en zijn droefheid luidkeels uit. En het meest verrassende: Job houdt vast aan zijn God. Hij wendt zich niet van hem af en laat hem niet links liggen, maar hij smeekt hem: “Denk er toch aan dat mijn leven maar een zucht is.” In onze tijd zouden we wellicht zeggen: “Ik heb toch maar alleen dit ene leven. Lieve God, ik smeek u, denk er toch nog eens over na of je mijn noodlot toch niet ten goede kunt keren.” En op het einde van het boek Job krijgt hij dan ook een antwoord. God daagt hem uit om te praten en om een dialoog aan te gaan. Daarbij lukt God er in om Job ervan te overtuigen dat zowel de schepping als het leven goed zijn, ondanks het leed dat de mensen altijd weer moeten ervaren. Het belangrijkste in dit boek is voor mij dat Job terug kracht krijgt doordat hij zijn woede en frustratie toelaat en ze ook onder woorden brengt. Of anders gezegd: In die dialoog, in dat gesprek met God keert zijn lot ten goede.
Daar kunnen wij natuurlijk op antwoorden dat wij in ons leven en in het leven van onze kennissen
veel leed kennen dat zich niet ten goede keert, en dat er ook enorm veel leed in de wereld is dat niet door mensen is veroorzaakt en dat, door de slachtoffers ervan, toch ook niet wordt verdiend.
Bij al deze overwegingen spookte ook Richard Dawkins door mijn hoofd. Hij is een van de kopstukken van de Atheïstische beweging in Groot Brittannië en beschrijft in zijn boek “God als misvatting” hoe belachelijk het toch is om in een persoonlijke God te geloven. Het boek heeft maandenlang op de bestsellerlijsten gestaan en wanneer je het leest merk je zeer vlug waar het eigenlijke probleem ligt. Dawkins oefent terechte kritiek op de vele wantoestanden die uit de religiositeit van mensen dikwijls ontstaan. Maar zijn kritiek gaat niet over datgene wat ik als een levend geloof zou omschrijven, maar wel over fanatieke fundamentalistische standpunten die alleen maar leed over de mensheid brengen. Bij het lezen werd me ook duidelijk dat Dawkins zich daarbij op een niveau begeeft dat ver buiten datgene ligt van wat een gelovige mens, die ver van elk fundamentalisme en fanatisme staat, beleeft. Wanneer wij Christenen met God spreken, en wanneer we heel vanzelfsprekend ook met zijn aanwezigheid leven, dan ervaren wij Hem als een persoon, een Gij, aan wie we alles kunnen en mogen toevertrouwen, en die ons alle dagen van ons leven begeleidt. Wanneer ik elke dag van mijn leven in Gods handen mag leggen, dan kan ik hem toch ook alles voorleggen wat ik meemaak en wat me raakt. Dan mag ik juichen, maar ook klagen. Dan kan ik Hem deel maken van mijn angsten en mijn droefheid mag ik ook de hoop ervaren die Hij me geeft. Zeker, we zullen God nooit helemaal kunnen doorgronden en zullen dus ook de zin van het lijden niet kunnen verklaren. Maar wanneer we ons geloof in God beperken tot die onbegrijpelijkheden, dan verliezen we de zorgzame en barmhartige, de liefhebbende en helpende God uit het oog. En dan negeren we dat er buiten het lijdensverhaal tussen God en de mensen ook een lang verhaal van geluk en van vreugde bestaat.
Daarom wordt me in dit evangelie ook duidelijk wat het hoogtepunt van een dergelijk geloof uitmaakt. Na de roepingsverhalen die eraan voorafgaan en de eerste vraag van Jezus aan zijn leerlingen: „Wat zoeken jullie?” volgt er vandaag een gewone vaststelling: ”Iedereen zoekt U!” En dan wordt beschreven hoe de mensen de zoon van God beleven: Hij richt de schoonmoeder van Petrus terug op en neemt haar bij de hand. Andere zieken geneest Hij en verdrijft al hun demonen, waaronder die van angst , van hopeloosheid en van bodemloze droefheid. Een dergelijk geloof is niet fanatiek en brengt geen schade toe aan anderen, maar het toont zich daarin dat ik Gods hand zoek en dat ik haar mag grijpen. Dat ik me door Hem laat oprichten en zelf ook anderen opricht. Dat Gods rijk hier en nu voelbaar wordt in een liefhebbend, heilzaam gebaar tegenover de anderen, waardoor ook hun hoop wordt versterkt.
Waarom tolereert God lijden in deze wereld? Waarom gebeuren er zo veel verschrikkelijke dingen?
Al onze pogingen om op deze vragen te antwoorden blijven alleen maar pogingen. Er is geen rationeel antwoord op deze vragen. Dat is wel ontgoochelend, maar het kan ook heilzaam zijn. Het kan ons genezen van de pogingen om God steeds weer te willen doorgronden. Ik heb intussen geleerd om met die open vragen te leven. Daardoor kan ik mijn eigen leed, en ook dat van anderen meer kritisch van op afstand bekijken en dat gedeelte van de schuld ervan, dat ik op mij heb geladen, ook op mij nemen.
Het laat me echter ook toe om onschuldig en onrechtvaardig lijden bij God aan te klagen en de verantwoordelijkheid ervoor aan Hem over te laten. Mijn relatie met God is daardoor vrijer geworden; Bevrijd van de zelfoverschatting dat ik God zou kunnen doorgronden. Daarom zou ik u allen willen uitnodigen en vragen om vast te blijven houden aan die oerervaring van de mens, die ons door de Bijbel wordt doorgegeven: aan de macht van het gesprek bij lijden en verdriet, aan de macht van bemoedigende woorden en liefdevolle gebaren in de geest van die God die ons zo oneindig graag ziet. Amen.