“Mijn nonkel heeft ook nog in den bak gezeten.” Zo begon paus Johannes XXIII zijn speech bij zijn bezoek aan de gevangenis van Rome en hij vond onmiddellijk bijval. Hij kon spreken met gezag.
Dat speciaal soort gezag had ook Jezus bij zijn bezoek aan de synagoge van Capharnaum.
Hij was immers één van hen, een man uit het volk, een jongen van gewone mensen uit een gewoon dorp, toen nog een gehucht Nazareth. Hij sprak zonder mandaat, zonder diploma.
Maar dat soort gezag is ook kwetsbaar.
Zo duivels was die tussenkomst van die man niet. “Wat komt gij hier doen?” Het is de reflex van de stedeling tegenover de dorpeling, van de geleerde tegenover de leek. “Wat komt gij hier doen, gij Jezus die toch maar van Nazareth komt?” Voor hem is Jezus iemand die ten onrechte het woord neemt in de synagoge.
In die man die in opstand komt kunnen wij ons bijwijlen herkennen. Ontwikkelde mensen van de 21° eeuw die het goed hebben zijn achterdochtig voor al wie ons iets komt vertellen over het waarom van de dingen. Wij hebben genoeg gezien in de voorbije eeuw.
Ze moeten ons niets meer komen wijsmaken. We willen wel geloven in het evangelie maar als het er op aan komt om ook te geloven in de verrijzenis, in de tegenwoordigheid van Christus in de eucharistie, in het eeuwig leven…Als het er op aan komt om de blijde boodschap in daden om te zetten… Dan hebben we de neiging om vraagtekens te plaatsen. “Wat komt dat hier doen?”
Wij gelijken op die man in de synagoge, die wel de dienst wilde meemaken maar voor de rest wilde gerust gelaten worden.
Wij zijn niet anders. Wij leven met een verstand dat steigert tegenover het geloof in iets wat niet kan bewezen worden en datzelfde verstand beseft dat het de laatste vragen niet kan oplossen:
Hoe is het universum ontstaan? Wat was er voor die eerste ontbranding? Hoe is het leven ontstaan? Wat is de zin van dat alles? Vragen die uitstijgen boven de mogelijkheden van ons verstand, boven de mogelijkheden van de menselijke geest zelfs.
Het mysterie kleeft aan ons bestaan. We moeten het mysterie durven zien, beseffen dat er dingen zijn tussen hemel en aarde die niet uit te leggen zijn met wetenschap en waarvoor wij alleen verwondering en bewondering kunnen hebben. En bewondering ligt dichtbij dankzegging en gebed en lofprijzing.
We zijn als die man in de synagoge van Capharnaum: we protesteren en tegelijk zeggen we: Gij zijt de heilige Gods. Pas dan kunnen we knielen en tot rust komen.