“Jezus leerde niet zoals de schriftgeleerden, Hij verkondigde een nieuwe leer als iemand die gezag heeft.” Jezus toehoorders waren overtuigd dat Hij sprak vanuit een ongehoorde verbondenheid met God. De mensen geloofden in Jezus’ woord en stemden er mee in omdat zij mochten ervaren hoe bevrijdend, hoe helend zijn boodschap was. Jezus’ woord was niet alleen klank, maar ook kracht. Zijn leer was nieuw omdat zijn woorden en zijn persoon onafscheidelijk met elkaar verbonden waren. Zijn leven was boodschap en zijn boodschap en zijn leven waren op zulk een manier met elkaar verbonden, dat Hij alle mensen in verwondering bracht: “Zo heeft nog nooit iemand gesproken!”
Als predikant zou ik Jezus kunnen benijden, want de mensen waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer. Wij preken jammer genoeg zoals de schriftgeleerden; wij preken te veel van horen zeggen en getuigen te weinig van Gods aanwezigheid in deze wereld, in onszelf. Onze leer is niet nieuw. Wij zijn geneigd te veel te spreken over wetten en moraal en te weinig over Gods handelen in deze wereld. Het mag misschien wel eens gezegd worden dat niemand zozeer lijdt onder deze onmacht en zwakheid, dan de priester zelf. Alleen het geloof dat God door ons wil spreken, dat Hij ons gekozen heeft tot zijn gezanten, geeft ons vertrouwen dat zijn woord in onze harten werkzaam zal zijn. In onze onmacht kan Gods kracht tot zijn recht komen. Tot Paulus die wellicht ook zijn eigen onmacht voelde zegde de Heer: “Mijn genade is u genoeg”. Dat moet ons, predikanten, een troost zijn. Het is God zelf immers die de harten van de toehoorders opent voor zijn woord.
Met Paulus kunnen wij zeggen: “Wij danken God dat jullie het goddelijk woord van de prediking van ons aanneemt, niet als een woord van mensen, maar als wat het inderdaad is: het woord van God, en het blijft werkzaam in jullie die geloven’. In de mate dat jullie in de woorden van de priester Gods woord herkennen, worden jullie ook opgeroepen om het te aanvaarden en het te volbrengen. Bij de prediking is de enige maatstaf of Gods woord tot zijn recht komt. Kennen we niet het voorbeeld van de pastoor van Ars. Zijn taal was gebrekkig, zijn voorkomen armzalig en toch had zijn woord een ongekende kracht om de mensen tot bekering op te roepen, omdat heel zijn leven een verwijzing was naar Christus. Iemand vroeg na de mis aan een moederke: “Hoe vond je de preek, moederke”? “Hij boeide me niet, ik miste iets”. “En, wat miste je dan wel”? vroeg de man verder: “Iets van Jezus”. De preek had haar niet kunnen boeien, omdat ze niets van Jezus had kunnen ervaren.
Maar het gaat hier niet alleen om de preek en de predikanten. Wij allen moeten op onze plaats getuigen van Gods woord. Wat wij over de priesters kunnen zeggen dat kan men ook zeggen over ieder van jullie. Ons woord en gelovig getuigenis moet bevrijdend zijn en moet verwij¬zen naar Jezus. Wij spreken niet graag openlijk over God, maar veel mensen zijn toch blij als ze eens eerlijk met een gelovige mens kunnen spreken. De mensen nemen het ons niet kwalijk dat wij christenen zijn, maar ze nemen het ons wel kwalijk, als onze woorden niet overeenstemmen met ons leven. Als we als gelovige mensen samenkomen moet er “iets van Jezus” in ons midden zijn om daarna nieuwe mensen te worden, die bevrijdend in de wereld staan.