Je kunt over Jezus praten zoals je het zou doen over Karel de Grote. Exact, nauwkeurig, met jaartallen, objectief, wetenschappelijk verantwoord. Je kunt ook over Jezus praten zoals je dat doet over iemand van wie je houdt. En het merkwaardige is dan dat hetzelfde anders wordt. De ouderen onder ons hebben in de catechismus geleerd dat Jezus Gods Zoon was, die twee naruren had: een goddelijke en een menselijke. En die twee naruren waren verenigd in één persoon. Daarom was Maria ook de Moeder van God, niet omdat zij hem zijn goddelijke natuur had gegeven, maar omdat zij moeder was van een persoon die ook de goddelijke natuur had. Dat was allemaal wetenschappelijk verantwoord. Maar we werden er warm noch koud van.
Marcus vertelt over Jezus niet als historicus of dogmaticus, maar als vriend, als iemand van wie hij houdt. Het zou ons eigenlijk nier eens moeten verbazen als Marcus die mens is geweest, die door Jezus in de synagoge werd bevrijd. Maar daar weten we niets van.
Jezus kent volgens Marcus geen spreekuur. Hij heeft het nooit druk. Op elk moment is er contact met hem mogelijk. Want wie had vermoed, dat in de synagoge een man aanwezig was, die bezeten was door een onreine geest? Onmiddellijk neemt Jezus het initiatief, en bevrijdt die man ervan. Je komt dikwijls onder de indruk hoe volkomen vrij hij mensen maakt. Angst verdwijnt dan naar het verleden. Eenzaamheid bestaat niet meer. Bij schuldgevoelens merk je, dat zoiets tegenover hem eigenlijk heel onvriendelijk is, want hij draagt je geen zonden achterna. Hij kijkt veel meer naar het goede dat je doet, dan naar de zonden die je doet. Hij is zo positief. Hij straalt zo’n blijheid uit. Als hij vertelt hoe God een Vader voor je is. Als hij ons zegt, dat hij voor ons een plaats heeft klaar gemaakt bij zijn Vader. Als je hoort dat hij tegen een moordenaar zegt: ‘Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs’. Hij geeft zo’n geweldige bevrijding, als hij zegt: ‘De mens is er niet voor de wet, maar de wet is er voor de mens’. Dat treft ons misschien nog het meest: zijn eerbied voor de mens. Zijn vertrouwen in de mens. Zijn optimisme. Het heeft iets heel fascinerends, als hij tussen ruziemakende mensen doorloopt, en dan alleen maar zegt: ‘Heb je vijanden lief. ‘Doe wel aan die u haten’, ‘zegent hen en vervloekt hen niet’. Hij schijnt altijd te dromen over het moment dat zwaarden worden omgesmeed tot ploegijzers, en dat wapens worden weggehangen.
Dit alles moet ons toch iets doen. Want dan worden we ons bewust dat we ook in de kerk dingen doen die met zijn blijde boodschap niets te maken hebben. Zou het toevallig zijn dat Marcus zegt dat die bezeten mens in een synagoog was, op een kerkelijke plaats? Want ook in onze kerk kunnen mensen aan knellende banden worden gelegd. Maar dat is zijn kerk niet! Hij wil mensen vrij zien en gelukkig. Hij oefent geen macht uit. Tenzij de macht van inspiratie. Doch onder die macht wil ik graag staan. En wij allen, denk ik.
Wij moeten tegenover Jezus niet afstandelijk staan, maar in een persoonlijke relatie. Alleen: daar is wel tijd en aandacht voor nodig.