In Jezus’ tijd waren maar heel weinig mensen geletterd. Zelf konden ze de teksten van de Schrift, de wet, niet lezen, laat staan begrijpen. Daarom waren er zogenaamde schriftgeleer-den, specialisten die geschoold waren in wat wij nu Bijbelstudie noemen. Zij legden uit hoe de mensen moesten leven. Ze genoten veel aanzien en werden met de eerbiedwaardige titel ‘rabbi’ aangesproken. Ook Jezus werd beschouwd als een rabbi. Hij kon immers lezen en kende de Schrift. Maar Hij legde die heel anders uit dan zijn collega’s. Het verschil lag in het gezag waarmee Hij dat deed. ‘Wat is dat toch? Een nieuwe leer, met gezag!’ vroegen de mensen zich af.
Jezus liet zich niet meeslepen in de eindeloze, spitsvondige discussies van de andere rabbi’s. Hij sprak heel eenvoudig. Iedereen kon Hem begrijpen. Maar wat het meest opviel was zijn… pretentie. Dat woord klinkt wat oneerbiedig, maar het is hier wel op zijn plaats. Jezus had de pretentie de wet uit te leggen zoals God zelf die bedoeld had. De rabbijnen beschouwden Mozes als de hoogste, onaantastbare autoriteit. Bij momenten stelde Jezus zijn eigen gezag zelfs boven dat van Mozes, de grondlegger van Israëls godsdienst. Van pretentie gesproken…
Jezus erkende maar één autoriteit: zijn Vader. Daar haalde Hij zijn gezag. Dat bleek niet alleen uit zijn leer. Er ging van Hem iets uit wat mensen tot in de diepste lagen van hun per¬soon raakte. Hij bracht aan het licht wat mensen bezielde, waardoor ze ‘bezeten’ waren. In alle evangeliën lezen we verhalen over bezetenheid. Spontaan denken wij, hedendaagse lezers, aan stoornissen die in de psychiatrie behandeld moeten worden. Het gaat toch immers om mensen die wartaal uitslaan en gekke dingen doen. In feite is er meer aan de hand. Het gaat om duistere krachten die blijkbaar sterker zijn dan de mens. Laten we ze, bij gebrek aan betere woorden, ‘machten van het kwaad’ noemen. Ze omvatten al datgene in mens en wereld wat zich verzet tegen God en zijn plannen, al datgene wat sterker is dan de mens en hem te gronde richt. De bezetenen scholden Jezus uit. Het merkwaardigste is dat die geesten’ Hein echt doorhadden: ‘Ik weet wel wie U bent: de Heilige van God!'
Daar kwam het volle gewicht van Jezus’ gezag aan het licht. Hij paste geen therapie toe. Hij trad niet op als dokter, maar als bevelhebber op een slagveld. ‘Zelfs de onreine geesten geeft Hij bevelen, en ze luisteren naar Hem.’ De mensen namen het dus wel dat Jezus ‘pretentie’ had in de zaken van God, in de uitleg van de Schrift bijvoorbeeld. Zijn leraarschap bleef immers niet beperkt tot het geven van verhelderende uitleg, maar werd gedragen door een kracht die werkelijk van God kwam. In de strijd tegen het vernietigende kwaad moeten mensen vaak het onderspit delven. Ook de schriftgeleerden konden er niet tegenop. Jezus bond die strijd wel met succes aan. En daarom had Hij recht van spreken, ook in zaken die ‘de leer’ betroffen.