De bladeren, die in de zomer en een groot stuk van de herfst hoog in de bomen hingen, liggen nu op de grond. Ineens kijk je er heel anders tegenaan. Veel duidelijker zie je de structuur van het blad, de nerven die als het ware de ruggengraat ervan vormen. Dat is ook het stevigste stuk en het langst tegen weer en wind bestand.
Een andere kijk. Dat kan je ook overkomen hij mensen. Als je van enige afstand de kerk inkijkt kun je her en der mensen zien en daar blijft ‘t bij. Maar tussen de kerkgangers zittend kun je ook in gezichten kijken, mensen herkennen en denken: ‘hè, is hij er ook! Die heb ik toen of toen ontmoet, het waren geen plezierig omstandigheden.’ Of: ‘die mis ik vandaag, zeker ziek.’ Je kijkt dan heel anders. Of het gebeurt je op straat. Dagelijks kom je mensen tegen, dikwijls dezelfde, de een wat nors in zichzelf gekeerd, de ander fluitend en groetend. Totdat je de kans krijgt nader kennis te maken. Dan hoor je wat er achter dat fluitje schuil gaat, wat er leeft achter dat gesloten gezicht, wie die mens eigenlijk is. je gaat anders naar iemand kijken. Op verschillende manieren kun je tegen dingen en mensen en zelfs tegen het leven aankijken.
In het evangelie van deze dag staan twee mensen tegenover elkaar met een eigen kijk op leven en op koningschap. Jezus staat daar, wellicht gespannen, een mens van drieëndertig jaar. Hij weet goed, wat er om hem heen gebeurt, welke gevaren hem bedreigen. Toch raakt het Hem niet ten diepste. Dit moment zal Hem moeite en pijn gaan kosten, maar Hij bewaart zijn rust. Want Hij weet, dat de waarheid zal overwinnen. Uiteindelijk zal die aan het licht komen en Hij zelf zal met die waarheid de overwinnaar zijn. Dat is het ware koningschap: greep hebben op het leven, je niet klein laten krijgen door de angst.
Tegenover Hem staat iemand, die droomt van een ander koningschap. Een koningschap dat verworven wordt met de ellebogen en waarvoor je, als je het eenmaal bereikt hebt, soldaten nodig hebt om het te verdedigen, je hart is nooit zonder angst, want elk moment kun je dat koningschap verliezen. Wij kennen dit soort gedachten en gevoelens. We moeten ons een plaats veroveren in deze wereld. We moeten pakken wat we krijgen kunnen. We moeten ons de kaas niet van het brood laten eten, zo wordt ons al heel vroeg gezegd. We moeten zorgen dat we voorop staan, niet over ons laten lopen, anders komen we nergens. En ‘nergens’ betekent: niet belangrijk zijn, geen aanzien hebben.
Soms zou ik willen, dat ik de rust had, die van Christus uitstraalt. Hij is er niet op uit om te grijpen en te graaien, maar Hij wil met open handen staan en ontvangen, wat gegeven wordt. Zo zouden christenen moeten zijn. In het begin van het christendom circuleerde in de toenmalige gemeenten een brief, die dat - met woorden van toen - heel duidelijk zegt. ‘Christenen’, zo staat er ‘zijn niet anders dan andere mensen. Ze wonen niet in eigen steden, ze spreken geen aparte taal, ze trouwen en krijgen kinderen als alle anderen. Maar door hun levenshouding overwinnen ze de wetten. Men veroordeelt hen, men doodt hen en brengt hen juist daardoor tot leven.’
Om het anders te zeggen: wat in het lichaam de ziel is, dat zijn in de wereld de christenen. De ziel woont in het lichaam, maar ze stamt niet uit het lichaam. Zo wonen de christenen in deze wereld maar zij stammen uit de wereld van het licht waarin ze geloven. Die onzichtbare wereld geeft hun wel kracht, sterkte en koningschap. Die onzichtbare wereld laat hen koning zijn over hun eigen bestaan.
Een ander koningschap
B-cyclus · Tijd door het jaar · 34e zondag · wit