De minste mens

B-cyclus · Tijd door het jaar · 34e zondag · wit

De geschriften van Israël hebben het niet zo op eiken, wilgen en dat soort grootheid. Ze leggen een verrassend materialistische voorkeur aan de dag voor de productiemiddelen van de natuur: wijnstok, graankorrel, vijgenboom. Ze hebben iets met vruchtbaarheid. Er zijn in de boomgaard van deze wereld mensen als vijgenbomen: grootmoeders met vruchten van wijsheid, kinderen die herinneren aan begin en einde, levensgenieters met liedjes en drank, knechten die sjouwen voor een beetje méér recht, vrouwen die onverbloemd de waarheid zeggen.
Maar in diezelfde wereld van ons zijn er ook mensen die géén vrucht voortbrengen, nog niet, niet meer. Ze zijn te moe, of verdroogd, of overvoerd. Hoe radicaal de Schrift ook is, een botte bijl wijst ze af. Wat de onvruchtbaren nodig hebben is: even geduld, een oor dat luistert, een hand die ruimte geeft, een lichaam dat warmte biedt, zodat de bomen hun eigen wortels kunnen aanspreken. Wat ze nodig hebben is: krediet, niet van de bank of de minister maar van mensen vlakbij. Geen karrenvrachten betuttelingmest, maar een schopvol geduld, aandachtig ingespit: dat is de meest gewone en diepgaande vorm van solidariteit. Van die genade, op dat krediet, leeft de wereld; in zulke duldende betrokkenheid komt bevrijding dichterbij, wordt bitterheid omgezet in zetmeel en suikers.

Jezus uit Nazaret wordt ons door het evangelie gepresenteerd als staande tegenover Pilatus, tegenover die man van de wereld, die stamhouder van de Farao. Die Jezus - moeten we hem koning noemen? ‘Koning’ is óns woord, óns probleem. Wat hem betreft: hij waant zich geen eik in macht en majesteit, en geen al te soepele wilg.
Zijn solidariteit reikt dieper. Liever trekt hij zich terug in de marge, gaat hij staan onder de vijgenboom om aan anderen vruchten door te geven en aan die boom zelf een nieuwe kans. Hij wil wel dichtbij zijn, aandachtig spitten, en vruchtbaarheid aan anderen ontlokken met de mest van het geduld; hij is niet bang voor vuile handen. Desnoods schuift hij aan in de lange rij naamlozen die worden geslacht en achteloos de grond ingetrapt. ‘Knecht’ en ‘lam’ zijn betere namen voor hem.

Vergaan in de grond, als mest opgaan zodat de minste mensen vruchtbaar worden: dat is zijn bijdrage aan bevrijding en menswording. Moeilijke waarheid, vreemde bevrijder.

Zoeken in Preken Online