Sommige mensen zijn allergisch voor het feest van Christus, Koning van het Heelal. Dat is begrijpelijk. Dat feest staat symbool voor alles wat te maken heeft met het rijke Roomse leven, met vlaggen en wimpels. Zelfs met een eed van trouw. Vandaag klinkt dat allemaal niet goed. Wat moeten we dan met de lezingen van deze dag? Zowel Daniël als Apocalyps spreken met triomfantelijke woorden van glorie en heerschappij, van alle volkeren die hulde brachten’. Sint-Jan spreekt me dunkt een andere taal. Hij noemt Jezus koning in de voorwaardelijke zin.
De hele bijbel door wordt gehuiverd voor het koningschap. Het profetische protest was duidelijk: liefst geen koning. Dat was het rechtlijnige denken van de profeten. Maar God schrijft zijn geschiedenis op onze vele scheve lijnen. Hij volgt de vreemde bochten van de mensen. Het koningschap is ooit door mensen gewild. Het was mensenwerk. Meestal was het ook een fiasco. De reden daarvoor is overduidelijk: ‘Zij wilden een koning zoals de andere volkeren die hebben’. Een heerser dus, iemand die met ijzeren hand regeert. Jezus zegt nu tegenover Pilatus precies het tegenovergestelde: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld.’ Het is van een andere orde. Trouwens, Jezus heeft niet gezegd dat Hij koning was. Hij antwoordde slechts op een vraag van Pilatus. En die kon niet anders dan in die termen te spreken. Hij was een dienaar van de macht. Hij was tot geen betere vraag in staat. De groten der aarde hebben een beperkte woordenschat.
Jezus antwoordt dus dat Hij koning is. Hij antwoordt dat niet zomaar. Hij voegt er meteen een kleine ‘nuance’ aan toe: ‘Mijn koningschap is niet van deze wereld.’ In de wereld wordt koningschap bevochten en bekomen door strijd en wapens. Zo is Jezus dus geen koning. Dat zou zelfs het hoogste verraad zijn. Jezus heeft iets anders op het oog. Hij is de bedienaar van Gods bedoelingen met de mensen. Hij dient de zaak van het Rijk Gods. Dat is een groot koninklijk gebaar. In dat koninkrijk zetelen de koninklijke mensen niet op een troon. Zij wassen de vuile voeten van mensen. Dat pas is koninklijke stijl. Neergebogen is Hij een dienaar met hoge allures.
Pilatus heeft daar niets van begrepen. Hij had maar één ambitie: zelf ooit koning te worden. Het was zijn groteske (on)schuld. Hij kon slechts in die termen denken. De grootheid was zijn laatste droom. Pover vertoon. Daartegenover staat het schuldeloze verweer van Jezus. Hij heeft er geen halve seconde aan gedacht om ooit koning te worden ‘zoals de andere volkeren die hebben’. Hij was te groot om zo klein te dromen. Hij lag van andere dingen wakker. Hij was gestoord door de vele, vele mensen om wie niemand zich stoorde.
Door de kant te kiezen van de eeuwige verliezer, werd Jezus zelf de grote verliezer in het proces. Eén ding mag intussen duidelijk zijn: de groten die nooit kunnen verliezen, hebben het proces gewonnen. Heel even. Het was een overwinning op macht. Jezus was maar een voetenwasser, een kleine herder. Zijn vele verloren gebaren zullen ééns van goudwaarde blijken te zijn. Hij zal verderleven als een koninklijk mens.
Ik zweer Hem geen trouw. Ik ben te klein voor deze dure eed.