In de dagen van Elia is Achab koning van Israël. Onder zijn leiding is het joodse volk in religieus verval geraakt. In groten getale hebben ze hun geloof in Jahwe ingeruild voor afgodendienst. Zo vereren ze Baal door hem allerlei offers te brengen, tot mensenoffers toe. Er is geen eerbied meer voor, geen vertrouwen meer in, Jahwe. Het hele volk loopt achter de koning en zijn ideeën aan. Op een enkeling na. Elia is zo’n enkeling. Die protesteert, en zegt tegen Achab: ‘Zowaar God leeft, in de eerstvolgende jaren zal er geen dauw of regen meer zijn’. En al schreeuwen de priesters van Baal nog zo naar de hemel om regen, al brengen ze honderd offers, en al geven ze hun eigen bloed, de hemel blijft dicht, en de grond dor en droog. Ze zullen weten, denkt Elia, wie de enige en ware God is.
Gelukkig loopt er in datzelfde land van toen behalve een stel schreeuwende afgodenpriesters ook nog een vrouw rond - een arme weduwe - die weet heeft van echte menselijkheid en offerbereidheid. Ze heeft nog net meel en olie genoeg om een laatste broodje te bakken voor haar zoon en zichzelf. Maar nee, ze bakt het laatste brood voor een toevallige voorbijganger, een gast: Elia, de profeet. Zo’n offer, zulke vrijgevigheid, leert de Bijbel, heeft toekomst. Wie zo doet, zal leven.
En evenzeer als er nu nog altijd mensen door schreeuwers worden geslachtofferd aan valse eigentijdse afgoden, evengoed zijn er nu gelukkig ook nog mensen van het kaliber van de weduwe in Sarepta. Heel veel moeders doen ook zo: eerst mijn kind, en dan ik. Veel levenspartners doen zo: eerst die ander, en dan ik. Veel goede docenten doen zo: eerst de leerlingen, en dan ik. Veel verpleegkundigen doen zo: eerst de patiënten, en dan ik. In de ogen van onze God brengen zulke mensen de echte offers.
Jezus onderschrijft dat wanneer Hij de mooidoenerij van de schriftgeleerden doorprikt, en de dikdoenerij van de rijken aan de kaak stelt. Dulden dat er onrecht is, mensen die niet kunnen rondkomen, laten stikken, en tevens keurig je plichten doen, kan niet in de ogen van God. Zulke mensen brengen oneerlijke en geen echte offers. Neem een voorbeeld, zegt Hij, aan de weduwe van Sarepta en aan die weduwe bij de tempelpoort, die allebei het laatste weggeven wat ze nog hebben. In al hun armoe denken ze toch nog aan anderen. Dat is iets anders dan de plichtmatige offerbereidheid van farizeeën en rijken, die geven om gezien te worden, en straks graag beleefd en dankbaar gegroet willen worden. Maar God zet zijn hoed niet af voor hen die voorop lopen, de geestelijke leiders in hun lange gewaden, die graag gezien en gehoorzaamd willen worden. Niet zij - vindt God - redden de wereld, maar de kleine en sjofele mensen die eerst aan anderen denken. Zij moeten ons tot voorbeeld zijn. Zij halen nooit de voorpagina, maar bereiken wel de harten van hun medemensen.