Het penningske van de weduwe

B-cyclus · Tijd door het jaar · 32e zondag · groen

Al zijn de allermeesten van u al lang geen kinderen meer, toch zou ik vandaag eens willen beginnen met een sprookje.

Er was eens een schatrijke koning die voor de verlaten kinderen in zijn rijk een schitterend tehuis liet bouwen. Maar hij verbood al zijn onderdanen ook maar één cent in de bouwkosten bij te dragen. De koning wilde het kindertehuis met alles wat erbij hoorde: een speeltuin, een sprookjesbos enz., enz., helemaal alleen bekostigen. Toen het complex klaar was, liet hij in de voorgevel van het tehuis een grote marmeren plaat aanbrengen met in gouden letters: ‘Koning Fredibold heeft dit prachtige kindertehuis gebouwd voor de verlaten kinderen van zijn koninkrijk.’

In de nacht daarna had de koning een droom. Een oude kluizenaar stond bij zijn bed en zei: ‘Sire, een arme vrouw heeft meer bijgedragen tot de bouw van uw kindertehuis dan Uwe Majesteit.’ De volgende morgen moesten alle dienaren van de koning er direct op uit om die arme vrouw te zoeken. Zij werd gevonden en voor de koning gebracht. De koning voer tegen haar uit: ‘Ik wilde dat kindertehuis helemaal alleen bekostigen en daarom had ik verboden dat een van mijn onderdanen ook maar één cent zou bijdragen in de kosten. Waarom hebt gij mijn verbod overtreden?’ - ‘Koning,’ antwoordde de arme vrouw, ‘ik wilde uw verbod niet overtreden. Maar ik wilde toch ook zo graag iets doen voor die arme verlaten kinderen. Ik verdien mijn brood met spinnen. En door het wat zuiniger aan te doen, had ik een paar stuivers opzij kunnen leggen. Daarmee heb ik wat hooi gekocht om de ossen te voeren die de stenen naar de bouw moesten brengen. Ik dacht dat ik daarmee uw verbod niet overtrad en dat ik zo toch mijn wens kon vervullen om iets voor die arme verlaten kinderen te doen.’ De koning was geroerd en liet de marmeren plaat van de voorgevel van het kindertehuis wegnemen.

Dit naïeve sprookje illustreert misschien min of meer wat Christus bedoelde, toen Hij zei: ‘Die arme weduwe heeft meer geofferd dan alle anderen.’ De waarde van een aalmoes wordt niet bepaald door de nominale waarde van de bankbiljetten, maar door de bedoeling van de gever en door de grootte van het offer dat de aalmoes de gever kost. De bedoeling van de koning was egoïstische zelfverheerlijking; de bedoeling van de arme vrouw was: iets - al was het ook maar heel weinig - te doen voor die verlaten kinderen. De koning schepte met een heel klein lepeltje uit het enorme vat van zijn overvloed; de arme vrouw gaf alles wat zij had.

Jezus wil ons met het voorbeeld van die arme weduwe in een aanschouwelijke les duidelijk maken: als je een aalmoes geeft of een andere dienst bewijst, doe het dan niet om een dankwoordje te ontvangen, of opdat de anderen zullen zeggen: wat is dat een goed mens. En ten tweede: als je een aalmoes geeft, heeft die alleen dan echt waarde, als je werkelijk met je naaste deelt, d.w.z. als je iets weggeeft dat je zelf ook goed kunt gebruiken, als het je een offer kost. En tenslotte nog dit: het penninkske van de weduwe is niet noodzakelijk een geldstuk, het kan ook een vriendelijk woord zijn, het kan een ziekenbezoek zijn, een praatje met een bejaarde of een hardhorige, het kan zijn: eens wat tijd maken voor onsympathieke mensen die door anderen gemeden worden.

Als wij rondom ons kijken, dan zien wij dat er ook in onze welvaartsmaatschappij nog genoeg armen rondlopen die onze hulp best kunnen gebruiken, zonder nog te spreken van het onnoemelijk menselijk leed en de onbeschrijflijke nood die op zoveel plaatsen van onze wereld nog gelenigd moeten worden, waarmee wij bijna dagelijks geconfronteerd worden op de televisie.

Zoeken in Preken Online